Opinie

Nu mijn geliefde dood is, blijk ikzelf nog te leven

Maxim Februari is jurist en schrijver. Deze column is wekelijks.
Maxim Februari is jurist en schrijver. Deze column is wekelijks.

Als kind las ik het moordverhaal ‘The Hollow’ van Agatha Christie en ik liet me meeslepen door het eind. Halverwege het boek houdt arts John Christow zijn minnares, de beeldhouwster Henrietta Savernake, een visioen voor. „Als ik dood was”, zegt hij, „zou je allereerst, terwijl de tranen nog over je gezicht stroomden, beginnen met het boetseren van een of andere stomme rouwende vrouw of een allegorie van verdriet”. Aan het eind van het boek is John zoals te verwachten vermoord en gaat de beeldhouwster inderdaad aan het werk.

Maxim Februari is jurist en schrijver. Deze column is wekelijks.

Sinds ik dit las ben ik gefascineerd gebleven door de combinatie van vitaliteit en verdriet. De dubieuze drang om door te leven en door te werken terwijl de geliefde dood is. Het kan niet, maar het mag wel. Het mag niet, maar het moet toch. En zo moet ook ik vandaag, nu mijn geliefde dood is en ik zelf nog blijk te leven, weer aan het werk alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Laat ik allereerst die genadeloze opdracht om door te gaan eens bekijken.

Onlangs zei een Kamerlid nog terecht dat doorwerken een kwestie is van compartimenteren. Na een plotse dood in haar familie stopte ze die gebeurtenis in het ene compartiment van haar hoofd en werkte ze door met het andere. Precies wat ik zelf graag had gedaan. Dan had ik hier als vanouds langs de zijlijn ultieme oplossingen kunnen aandragen voor alle grote crises in de wereld. Maar helaas. Het afgelopen jaar woedde de storm zo hevig in ieder compartiment van mijn hoofd dat er even geen compartiment meer voorhanden was.

„Into each life some rain must fall, but too much is falling in mine”, zong mijn moeder vroeger en dat zong ik in ons annus horribilis van 2015 ook. In de eerste week van dat jaar was mijn vriendin na langdurige ziekte zo immobiel geworden dat we raar stonden te kijken toen we onszelf aantroffen in een brandend huis. Als door een wonder heel gebleven, zeiden we de volgende dag vrolijk ‘we leven nog’. En toen ze de maanden daarna van ‘ziek’ via ‘zieker’ naar ‘ziekst’ ging, bleven we dat even vrolijk herhalen. Totdat ze in de laatste week van het jaar opeens niet meer leefde.

„Nou, je hebt er wel een dramatisch verhaal van gemaakt”, zou ze zelf hebben gezegd, op dit punt aangekomen. Waarna ze de pagina zo snel mogelijk had omgeslagen, mopperend dat je het krantenpapier van tegenwoordig niet meer fatsoenlijk kunt omvouwen, zodat de krant niet naar behoren valt te lezen in bed, laat staan in bad. Haar beschavingsregels gingen opmerkelijk vaak over het baden. „Eet nooit iets waar je niet mee in bad zou willen”, zei ze ooit en het werd voor mij een klassieker die ik aan de dinertafel graag citeerde.

Waar was ik? O ja. „Maak er geen drama van”, zou ze dus hebben gezegd. Het geeft geen pas anderen voor de voeten te lopen met je persoonlijke ongerieven en het is indiscreet te babbelen over de pijnen van anderen. „Nobody knows the troubles I’ve seen, nobody knows but Jesus”, zong mijn moeder vroeger, en zo hoort het. Iedereen lijdt verlies, in ieder leven valt te veel regen, en het is wel prettig als men die kwellingen voor zichzelf houdt. Zo werkt compartimenteren.

Maar toch. Toch sijpelt de regen onherroepelijk in je hoofd van het ene compartiment naar het andere. Ervaringen veranderen de manier waarop je de wereld en haar crises beziet. In de zon oogt alles anders dan in de drup, je oordeel over anderen wordt gegarandeerd beïnvloed door je eigen omstandigheden, en het kan geen kwaad de omgeving af en toe te laten weten wat de situatie op het moment is.

Wees niet bang. Ik maak er geen drama van. Ik hang deze dagen aan een dun, wit draadje in een verlaten universum, geen positie van waaruit je luidkeels je beklag doet. Maar nu ik in korte tijd al mijn bronnen van kennis ben kwijtgeraakt kun je met recht zeggen dat ik een soort lobotomie heb ondergaan en dus dringt de vraag zich op of u me nog serieus kunt nemen. Wat is er na deze ingrepen van me over?

Wie ben ik überhaupt ooit geweest? Gedurende alle jaren van ons samenleven kreeg mijn vriendin daarover verbaasde vragen. Waarom had ze zich in vredesnaam met mij ingelaten? Zij die zo erudiet was en zoveel meer weltbezogen? Haar antwoord luidde steevast dat het belangrijkste is iemand te vinden met wie je principes deelt en idealen. En dat is misschien ook wat overblijft als de rest verdwijnt. Principes en idealen.

Nu ik volledig op eigen denkkracht ben aangewezen, moet ik er maar op vertrouwen dat ik het met mijn eigen mores wel red. En hier komt Agatha Christie te pas, die me al als kind heeft geleerd dat je na moord en brand gewoon doorwerkt. Er gaat veel teloor in het leven, maar we moeten altijd vitaal voorwaarts. Hoort u dat? Voorwaarts.