Ik wil een patiënt kunnen knuffelen

Huisarts Pieter Barnhoorn wil zijn patiënten liefdevol kunnen aanraken. Maar van de inspectie mag dat niet.

Illustratie Hajo

Verpleger ontslagen om knuffel’, kopte het Dagblad van het Noorden 9 december jl. Op sociale media ging dit al snel het ‘knuffelverbod’ heten, omdat de Inspectie voor de Gezondheidszorg tijdens de zitting had gezegd dat „iedere vorm van lichamelijk contact tussen zorgverlener en patiënt verdergaand dan een handdruk niet toegestaan is”. De psychiatrisch verpleegkundige had vrouwelijke patiënten schouderklopjes, een aai over de bol en een knuffel gegeven, en volgens de inspectie „betekent een professionele houding fysieke distantie”. Dus, om de gevleugelde uitspraak van Matthijs van Nieuwkerk tijdens de Top 2000 Quiz aan te halen: „een hand van de presentator. C’est tout!”

Verpleegkundigen begonnen een petitieactie en in Trouw ontstond een korte discussie. Maar die discussie verstomde, gek genoeg, al gauw. De inspectie nuanceerde de uitspraak vijf weken later in hetzelfde Dagblad van het Noorden („Het is niet zo dat er geen enkele vorm van aanraking is toegestaan”, zei een woordvoerder van de inspectie. „Maar met name bij psychiatrische patiënten moeten zorgverleners waken voor grensoverschrijdend gedrag en dan kan een aanraking in de ogen van de patiënt wel een probleem zijn.”)

Maar het kwaad was al geschied. Professionals bij voorbaat wantrouwen lijkt tegenwoordig bon ton. Want zo voelt het; als wantrouwen richting de zorgverlener. Na ieder incident een nieuwe regel, oftewel de incident-regel-reflex. Maar helpen we daar onze patiënten nu echt mee?

Onlangs was ik weer bij mevrouw A. Zij is al tijden aan het dementeren, maar kan gelukkig nog thuis blijven wonen, dankzij de liefdevolle zorg van haar kinderen en de thuiszorg. Haar man is overleden. Dit beseft zij bij vlagen. Nadat zij de deur opendoet en mij een hand geeft, zegt ze verontschuldigend: „Oh, dokter, fijn dat u er bent, maar Jan is net even weg. Hij zal zo wel terugkomen.” Wanneer we in de huiskamer zitten lijkt ze ineens weer te beseffen dat Jan nooit meer terug komt. Ze begint te huilen.

Ik zou een hand op haar schouder willen leggen, maar ik hoor die inspecteur in mijn achterhoofd, ik heb al een hand gegeven en nu is het oppassen met lichamelijk contact.

En wat moet ik met die man uit Syrië, die huilend vertelt alles te hebben moeten achterlaten en zich hier nu ook niet direct welkom voelt? Ik spreek zijn taal niet, hij de mijne niet. Een hand op zijn schouder zou hem wellicht goed doen, maar ik durf het niet meer.

Natuurlijk moeten we de uitspraak „iedere vorm van lichamelijk contact tussen zorgverlener en patiënt verdergaand dan een handdruk is niet toegestaan” zien in de context van de zaak en moeten we zoals de Inspectie later ook nuanceert bij psychiatrische patiënten, nog meer dan bij niet psychiatrische patiënten waken voor grensoverschrijdend gedrag. Met deze uitspraak legt de Inspectie de vinger op de zere plek; ‘aanraking in de zorg’ is een lastig ding. We weten er met z’n allen niet goed raad mee. En het nodigt uit tot al te ferme uitspraken. Maar patiënten willen in de zorg niet behandeld worden als een machine die gemaakt moet worden. Patiënten willen een mens tegenover zich. En in het contact van mens tot mens is soms een aanraking op zijn plaats. Maar wat is in dezen nu passend en wat niet? Je zou als zorgverlener soms wel willen dat er duidelijke regels voor te vinden waren. Maar die zijn er niet. Het is een kwestie van goed inschatten wanneer een schouderklop wel en wanneer niet kan. Om dat te kunnen inschatten heeft de zorgverlener vertrouwen nodig.

En vertrouwen kan beschaamd worden. Dat is vreselijk. Want helaas blijken er ieder jaar weer zorgverleners te zijn die zich, al dan niet seksueel, grensoverschrijdend gedragen. Dat is heel treurig en mag nooit worden goed gepraat. „Wie hulp zoekt, moet erop kunnen vertrouwen dat de verleende zorg verantwoord en veilig is”, aldus de brochure Het mag niet, het mag nooit: seksuele intimidatie door hulpverleners in de gezondheidszorg van de Inspectie voor de Gezondheidszorg uit 2004. Deze verwoording is helemaal in de geest van de artseneed die begint met: ‘Ik zweer/beloof dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens’. Seksueel getint gedrag hoort daar niet bij en is derhalve nooit toelaatbaar.

Het overgrote deel van de zorgverleners kan goed uit de voeten met deze woorden. Een enkeling gaat over de schreef en moet stevig aangepakt worden. Maar we moeten waken voor de neiging de woorden van onze eed in strakke regels te gieten. Regels worden niet zelden ervaren als gestold wantrouwen. Dus eerlijk zeggen dat niet ieder risico is uit te sluiten. Ook niet door (nog strengere) regelgeving. Zelfs in de zorg, waar mensen op hun kwetsbaarst zijn. Vertrouwen moet de basis blijven. Dat vertrouwen hoeft overigens niet blind te zijn, maar dat mag vertrouwen met open ogen zijn. Maar wel: vertrouwen.

Ik zou de Inspectie voor de Gezondheidszorg graag willen uitnodigen in mijn spreekkamer. Het zou kunnen helpen in de beeldvorming, wellicht. Dan zou duidelijk worden wanneer er soms meer nodig is dan handen schudden. En dat fysieke distantie soms allesbehalve professioneel is.

Ik hoop van ganser harte dat de kreet: ‘een professionele houding betekent fysieke distantie’ geen bijval zal krijgen. En ik hoop dat wanneer ik in diepe puree bij mijn huisarts zit, hij zich niet zal beperken tot alleen een handdruk.