Hans was een feestvierder, vroeger

Dementie Hans Goebertus heeft alzheimer. Hoe vergaat het hem? Op de fiets naar Portugal ontdekken zijn vrienden dat hij verandert.

Een groep vrienden fietst door het bos in Frankrijk. Strakblauwe hemel, de geur van hars – bepakking stevig achterop. De groep is halverwege een onwaarschijnlijke tocht. Van Amsterdam naar het Portugese dorp Moncarapacho. Ruim 3.450 kilometer in vijftig dagen, met een alzheimerpatiënt die door zijn ziekte nauwelijks meer kan zien.

Die man, in het midden van de groep, is Hans Goebertus (68). Twee jaar geleden werd bij hem, voormalig verwarmingsmonteur, alzheimer geconstateerd. Zijn geheugen wordt slechter; zijn vorm van de ziekte tast ook het waarnemingsvermogen ernstig aan. Hans beseft dat zijn geheugen en zicht hem in de steek gaan laten, maar hij kan daar niets tegen beginnen.

Voor hem in het bos fietst Jan Galesloot (69), al veertig jaar een van zijn beste vrienden. Achter hem zijn kamergenoot deze vakantie, Frans Schellevis (67). Om hen heen fietsen hardloopvrienden, buurtgenoten, oude studievrienden. Ze waarschuwen voortdurend. „Kijk uit Hans, een hobbel. Rechts een paaltje, pas op.” Frans komt naast Hans fietsen, tikt even tegen zijn linkerhand: „Even schakelen Hans.” Een van de vrienden zet The Wild Rover in, het lievelingslied van Hans. „And it’s no, nay, never. No, nay, never no more. Will I play the wild rover, no never, no more.”

Gangmaker

Hans is altijd een gangmaker geweest. Eind jaren zeventig werd zijn vriendengroep in Amsterdam gevormd. Bouwvakkers en architecten die samen panden opknapten en ’s avonds samen gingen eten.

Hans installeerde verwarmingen in de panden, zijn vrouw Ria deed de architectuur, een ander kon schilderen, weer een ander slopen. Jan maakte ook deel uit van de groep, die in korte tijd erg hecht werd. De kroeg was een „gemeenschappelijke vriend”. In zijn eerste Amsterdamse jaar kwam Hans tien kilo aan.

Ik heb wel ervaren dat ik zo’n reis nog makkelijk kan doen. Maar ik kan het niet alleen

Hans Goebertus met zijn fietsvrienden, in en om zijn vakantiehuis, terugkijkend op de 'Tour de Hans' naar Portugal.Foto’s Ilvy Njiokiktjien

In de loop der jaren werd de vriendenkring breder. Buren, maatjes uit de buurtkroeg, vrienden van de hardloopgroep. Frans en Hans leerden elkaar kennen tijdens het olijvenplukken op de gaard van een gemeenschappelijke vriendin in Portugal. Al die vrienden stonden in de rij toen een jaar geleden het idee ontstond voor een fietstocht van Amsterdam naar Portugal. Sommigen wilden de hele tocht maken, anderen een stukje.

Met drie maten maakte Hans een oefenrit naar Frankrijk – hij is een hardloper, geen fietser. Ze leerden ervan: reservebanden meenemen, zodat je niet op zondag in de regen met een lekke band staat. Droge en natte kleding in verschillende zakken gooien. Wisselen van versnelling op een berg – „Hans wist niet eens wat een derailleur was”. Ze leerden ook dat hun lichamen weliswaar met pensioen zijn, maar een zware tocht prima doorstaan. En dat Hans een verdomd goede klimmer is.

Kroeg

Op 1 september vertrokken twaalf mensen vanaf de Nieuwmarkt, nog geen minuut van het huis waar Hans en Ria wonen. Eindbestemming: de olijvengaard in Moncarapacho. Eerste stop: Sleeuwijk. Daarna via België, Frankrijk en Spanje naar het zuiden van Portugal.

Iedere dagtocht werd afgesloten in de kroeg. Speciaalbier op tafel. „We hebben vooral ontzettend veel gelachen”, vertelt Hans. Maar, onvermijdelijk; soms werd het serieus. Dan ging het over zijn ziekte. Hans vertelde over het geheugenverlies. Zijn vrienden over hoe ze hem zagen veranderen. Aan tafel bij Hans thuis komen de gesprekken weer boven.

Jan: „Hans is altijd iemand geweest die dingen organiseerde, creatief was en van alles bedacht. Dat zie je minder worden. Ik denk dat hij het nog wel wil, maar dat er een rem is. Hij was altijd degene die iedereen bij elkaar hield, en dingen organiseerde. Hans was een gangmaker, een feestvierder. Als ik dan nu terugkijk op het fietsen naar Portugal, dan is dat weg.”

Hans: „Wat is weg?”

Jan: „Nou ja, de… het wordt minder. Ik denk dat het komt doordat je dingen niet ziet of zoiets. Normaal gesproken ben je sneller. Het initiatiefrijke zit er niet meer in.”

Hans: „Dat is wel waar. De ziekte is er langzaam in geslopen, maar het komt er nu met geweld uit.”

Hij kon geen klok meer kijken

Jan wist al jaren dat er iets verkeerd ging bij zijn vriend. Hij moest gaan helpen met de administratie in de cv- en sanitairwinkel van Hans, want dat ging hem zelf niet meer goed af.

Ze dachten dat zijn ogen achteruitgingen.

Tot het moment dat Jan bij Hans thuis kwam, en zag dat zijn vriend de tijd op de klok niet meer kon lezen. De verbinding tussen stand van de wijzers en de tijd, het ging niet meer. Jan: „Toen, tja… daar begin je als kind mee. Dat was voor mij een enorme klap.”

Frans was kamergenoot van Hans tijdens de rit naar Portugal. In een van de hotels hoorde hij gemopper, gestommel vanuit de badkamer. Toen hij ging kijken stond Hans te duwen en te trekken aan de hendels van de douche. Hij kreeg hem niet aan de praat. Hans draaide zich om naar Frans, die erbij was komen staan: „Verdomme, ik heb jaren met dat spul gewerkt, en nu weet ik het niet meer…” Frans, nu aan tafel, tegen zijn vriend: „Dat je dat zei, Hans, dat vond ik zo confronterend.”

De ziekte is er langzaam in geslopen, maar het komt er nu met geweld uit

Jan pakt het fotoboek van de fietstocht dat voor hem op tafel ligt. Een foto van een lage putrand: „Dat ziet Hans niet.” Ze waren twee weken onderweg toen Hans met zijn voorwiel in de put ramde en tegen de stoeprand klapte.

Frans: „Ik reed er vlak achter. Einde rit, was het eerste dat door me heen schoot. Gelukkig was dat niet zo.” Hans: „Ik ben nog een ouwe taaie, hoor.”

Het was iedere dag wennen aan nieuwe hotelkamers. Badkamer en wc weer op een andere plek, de lichtschakelaars onvindbaar, kranen die anders werkten. Hans: „Het zijn vaak kleine dingen die ik niet meer kan. Een klein voorbeeldje is dat ik mijn tandenborstel moeilijk kan zien. Die staat dan in een bekertje met een andere tandenborstel, en door de weerspiegeling van de spiegel duurt het lang voordat ik de goede te pakken heb. Het verbeterde pas toen ik een witte tandenborstel kocht. Dat ging vreemd genoeg wel goed.”

Frans grijnst, geeft de andere mannen een knipoog: „We bestellen voortaan ook alleen nog maar witbier voor Hans.” Ineens zitten er drie jongens aan tafel, bulderende lach.

Spookhuis

Het gebeurt later weer, als Hans een anekdote wil vertellen over de fietstocht, maar zich niet precies herinnert waar het was. Hans: „Toen waren we in, uhm, in…” Jan, droog: „In Angola dacht ik.” Hans: „Nee joh, houd me niet voor de gek. In Spanje, bedoel ik.”

Hans: „Weet je nog, die dame in dat huis, dat wij het spookhuis noemden?” Jan: „Toen we te laat thuiskwamen.” Hans: „Jajaja.” Jan: „Hilarisch, we kwamen om half elf ’s avonds thuis en toen stond die dame op de klok te kijken, op haar pols te tikken.” Frans giert het uit: „Kwajongens, die jongelui!”

Finish

Er is een foto van de aankomst op het dorpsplein van Moncarapacho. Vijftig dagen na de start. Hans, iets voorovergebogen op zijn fiets, rijdt onder een groot finishdoek met het logo dat speciaal voor de reis is gemaakt. Zijn vrienden met Tour de Hans-shirtjes om hem heen. Een enorme grijns op zijn gezicht. Jan: „Een geweldig moment.” Frans: „Ik had natte ogen.” Hans kijkt even naar de foto: „Machtig mooi, hè. Kijk dat koppie.”

De vrienden zijn weer een paar maanden thuis. Ria is weer aan het werk gegaan. Hans vecht thuis tegen de verveling – hij kan niet meer lezen, nauwelijks televisie kijken en naar buiten gaan kost veel energie.

Of de tocht symbolisch was? Zo sentimenteel is Hans niet. „Ik heb wel ervaren dat ik zo’n reis nog makkelijk kan doen. Maar ik kan het niet alleen. Heel prettig om te zien dat je zoveel kennissen en vrienden hebt die willen helpen. Samen met mijn vrienden kan ik nog veel.”