‘Een portret is een bezwering van de tijd’

In de tentoonstelling ‘Dutch Identity’ zijn 150 beelden van zo’n 25 hedendaagse Nederlandse fotografen te zien. Welke rol heeft de professionele fotograaf nog?

Linelle Deunk, Charlie, 2012.
Linelle Deunk, Charlie, 2012.

De broeierige blik van het achtjarige meisje Charlie doet je aan de grond genageld staan. Met haar moeder erbij was Charlie een meisje, maar in de beslotenheid van haar kamer, waar Linelle Deunk dit portret van haar maakte, werd de kleine Charlie een vamp. Dit sterke beeld is niet voor niets de eerste foto van ‘Dutch Identity: Nederlandse Portretfotografie Nu’.

Voor de tentoonstelling kozen Cathinka Huizing en Harriet Stoop-de Meester 150 beelden van zo’n 25 hedendaagse Nederlandse fotografen. Naast de foto’s, die nu in De Fundatie in Zwolle te zien zijn, hangen aan de muur korte citaten uit hun interviews met de fotografen.

Welke rol heeft de professionele fotograaf nog in deze tijd en wat zijn onze verwachtingen van ‘het portret’? En wat maakt de Nederlandse portretfotografie zo bijzonder? Dat zijn de vragen waarop Huizing en Stoop-de Meester met deze expositie een antwoord zoeken. De ambachtelijke studiofotograaf, die iemand op z’n paasbest gedienstig vastlegde, hoort tot het grijze verleden. Tegenwoordig zijn we allemaal fotograaf, met dank aan de digitale technologie. De selfie is een vast onderdeel geworden van onze communicatie met de wereld.

Dat levert nieuwe vrijheden en invalshoeken op en die zijn terug te zien op ‘Dutch Identity’. Sommige fotografen zinspelen bijvoorbeeld op een verleden van lang vóór de uitvinding van de fotografie. Met haar portretten van twee bleke, naakte meisjes, liggend op hun rug, verwijst Carla van de Puttelaar naar de vijftiende-eeuwse schilder Lucas Cranach. Desirée Dolrons verstilde, digitaal bewerkte beelden van vrouwen met kleding en haardracht uit lang vervlogen tijden zijn geïnspireerd op zeventiende-eeuwse schilderijen en de lege zalen van een landgoed bij Utrecht.

Ook Annaleen Louwes haalt het verleden aan, via haar eigen portretten van patiënten in een inrichting die verwijzen naar archiefbeelden van een psychiater van een eeuw geleden.

Hommage aan de studiofotograaf

Ook de studiofotograaf van weleer maakt in één mooi project zijn rentree. Ringel Goslinga brengt een hommage aan Lee To Sang, die in de jaren zeventig uit Suriname naar Nederland kwam. Als kind was Goslinga al geïntrigeerd door de foto’s in de etalage van To Sangs studio. Nu is hij in dezelfde buurt, de Amsterdamse Pijp, met diens analoge camera de straat op gegaan om wijkbewoners van nu te portretteren. Het resultaat is rechttoe rechtaan, ongekunsteld waardoor er een spel ontstaat tussen maker, kijker en geportretteerde.

De To Sang van toen wordt nu een autonome kunstenaar die niet meer registreert maar ensceneert. Zo wordt de grens tussen maker en kijker steeds dunner, een portret is geen statement maar een wisselwerking.

Daarnaast bevatten veel portretten, al dan niet onderhuids, een politieke lading. Ernst Coppejans’ portretten van homo’s in West-Afrika zijn al sterk, en ze winnen aan betekenis als je leest dat homoseksualiteit er bij wet verboden is en ze hun leven riskeren door op deze manier voor hun geaardheid uit te komen. Anderen zijn puur emotie, zoals de dieren van Charlotte Dumas – een foto van een dier laat meer ruimte voor emotie dan een portret van een mens, vindt zij. In Amerika fotografeerde ze bejaarde honden die in 2001 op Ground Zero werden ingezet na de aanslagen op 9/11. En op de militaire begraafplaats Arlington portretteerde ze paarden die gesneuvelde militairen op karren naar hun laatste rustplaats trekken.

Wat is een portret?

In twee opmerkelijke reeksen onderzoekt het duo Blommers en Schumm de vraag wat een portret eigenlijk is. Voor het themanummer ‘Information Trashcan’ van het tijdschrift RE maakten ze een reeks zwarte silhouetten. Het zijn de redactieleden van het blad, met tegenlicht gefotografeerd zodat je alleen de omtrek van hun hoofd ziet. Is dat nog wel een portret te noemen? Ja, als je weet dat deze serie destijds een reactie was op de overdaad aan informatie op het internet.

Het verrassendste portret op de tentoonstelling is eveneens van hen: een stilleven geïnspireerd op de portretten door de beroemde Amsterdamse Studio Merkelbach. Op een stoel in hun studio bouwde ze een Merkelbach-portret na, met wat er maar voor handen was: een nietmachine als mond, een verfkwast als wenkbrauw.

Wie ‘Dutch Identity’ heeft gezien, kan concluderen dat de Nederlandse portretfotografie floreert. Maar wat maakt deze fotografie nou zo bijzonder? Het is een vraag die de samenstellers onbeantwoord laten. Aan de diversiteit kan het niet liggen, laat staan dat er een ‘Dutch Identity’ uit oprijst. Met zoveel fotografen en zo’n breed palet aan werkwijzen, blijft deze expositie een opsomming. En bovendien ontbreken er een aantal: waar zijn bijvoorbeeld Celine van Balen en Dana Lixenberg?

Uiteindelijk komen de scherpste bespiegelingen op het portret van de kunstenaars zelf, onder wie Rineke Dijkstra. Net als Anton Corbijn figureert zij zowel als portretmaker als geportretteerde in de tentoonstelling. Van haar zijn er een paar portretten van leden van welgestelde gezinnen. Het portret is een nulpunt, zegt ze, een bezwering van de tijd. „Het onveranderlijke portret doet de leden van het gezin beseffen wat er allemaal veranderd is. Het is een herinnering aan het feit dat de tijd voorbijgaat.”