Feminist dankzij de literatuur

De feministische zussen Cécile en Elsa de Jong van Beek en Donk zijn verenigd in een dubbelbiografie. Zij zorgden voor enkele mijlpalen in de vrouwenemancipatie in Nederland.

Cécile, uitgedost als Mexicaanse, met op de stoel haar zuster Elsa, januari 1894. Foto Rijksmuseum Amsterdam/Collectie Diepenbrock

Vreemd dat er nog geen biografie bestond van Cécile de Jong van Beek en Donk, die in 1897 met haar roman Hilda van Suylenburg op slag één van Nederlands beroemdste feministe werd. Haar melodieuze naam valt steevast als het gaat over de grote omwentelingen in de Nederlandse cultuurgeschiedenis van omstreeks 1900. Zij was oprichtster van de ‘Bond ter bestrijding eener gruwel-mode’ (dat ging over veren en vogeltjes op dameshoeden, de Bond liep vooruit op de Vogelbescherming). En ze organiseerde de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, een mijlpaal in de geschiedenis van de vrouwenemancipatie in Nederland. Waarom is er niet eerder uitvoerig over haar geschreven – werd zij, als chique freule, toch niet helemaal serieus genomen?

Nu is er geen biografie, maar een dubbelbiografie van haar en haar jongere zuster Elsa, Céciles zielsgenote, helpster en tegenpool. Dat het boek over twee mensen gaat in plaats van één, blijkt alleen maar een verrijking.

De zusjes, geboren in 1866 en 1868, werden opgevoed in een sfeer van protestantse vroomheid altruïsme en standsbesef. Hun ouders bewonderden de pedagoog Friedrich Fröbel en begeleidden met tedere zorg de ontwikkeling van hun kinderen (er was ook nog een oudere broer). De vader was een sociaal bewogen man, actief in de armoedebestrijding en de prille arbeidersbeweging. De moeder, Anna Nahuys, had in haar jeugd verdienstelijk geschilderd. Zij was vol goede bedoelingen, maar stortte voortdurend in. De meisjes kregen onderwijs van buitenlandse gouvernantes. Ze waren bijna dweperig verknocht aan elkaar, noemden elkaar ‘engel’ en ‘lieveling’ en vonden buitenstaanders al heel gauw dom. Of burgerlijk.

Als ze 20 en 22 zijn, mogen ze naar de Bayreuther Festspiele. Het is een bedevaart, ze vereren het genie Richard Wagner (1813-1883) en hebben alle partituren bestudeerd. Else, de muzikaalste van de twee, heeft zich Elsa met een a genoemd, naar de geliefde van Lohengrin, uit de gelijknamige opera. De meisjes zijn nu huwbaar, ze gaan uit en zijn dol op flirten.

Tegelijk worstelt het gezin met de morfineverslaving van moeder Anna. Zij is zo zwak dat Cécile de injecties moet toedienen. Uiteindelijk slagen de zusjes erin, na her en der adviezen te hebben ingewonnen, hun moeder ongemerkt te laten afkicken door de dosis geleidelijk te verlagen.

Dan is het 1889, en de levensverhalen van Cécile en Elsa moeten eigenlijk nog beginnen. Vele verbazende wendingen, door de schrijfster met goed gevoel voor timing gepresenteerd, staan de lezer nog te wachten.

Cécile trouwt in 1890, kort na de dood van haar vader, met de Haagse projectontwikkelaar Adriaan Goekoop. Doordat hij schatrijk is, kan Cécile voortaan ook haar moeder en zuster ondersteunen, en talloze goede doelen. Goekoop (die zij Paul noemt, want Adriaan vindt ze niet mooi) is een treurige, zwakke figuur. Het echtpaar is van meet af aan ongelukkig en deelt nooit het bed.

Elsa ziet af van een toekomst als pianiste en gaat, opgejut door Cécile, rechten studeren, als eerste vrouw in Nederland. Maar in 1895 breekt ze de studie af om te trouwen met de katholieke classicus en componist Alphons Diepenbrock (1862-1921). Dit gebeurt na eindeloos dralen van zijn kant, omdat Elsa niet wil beloven dat hun eventuele kinderen ‘rooms’ zullen worden. Bovendien keurt zijn moeder, die hij vereert als een heilige, de verbintenis af. Het kindervraagstuk doet zich niet voor, want het huwelijk wordt niet geconsummeerd – en zo is ook Elsa ongelukkig getrouwd.

Het gesprek van de dag

In 1897 publiceert Cécile de roman Hilda van Suylenburg, een aanklacht tegen de zinloosheid van het bestaan waartoe vrouwen uit de hogere kringen veroordeeld zijn. Er staat veel herkenbaars in voor wie de schrijfster en haar omgeving kent, tot en met de rechtenstudie waarin de hoofdfiguur uiteindelijk vervulling vindt. Het boek is het gesprek van de dag, beleeft herdruk op herdruk en wordt in verschillende talen vertaald.

Cécile gaat, met Elsa’s hulp, een Tentoonstelling van Vrouwenarbeid organiseren in het inhuldigingsjaar van Wilhelmina, 1898. Fier wordt hier getoond wat vrouwen kunnen, omlijst door vele congressen. Het terrein is door Adriaan Goekoop ter beschikking gesteld. De tentoonstelling is een succes – maar als die is afgelopen, is hun huwelijk dat ook. Cécile vertrekt naar het buitenland: eerst naar Rome, dan naar Parijs. Daar ontdekt zij – weer zo’n verbluffende wending – de zinnelijke liefde in de armen van beeldhouwer Antoine Bourdelle (1861-1929). Ze is 34.

Elsa blijft de toegewijde echtgenote van de componist, die zich geheel aan de muziek kan wijden dankzij haar (en dankzij het geld van Goekoop, dat ook na de scheiding, en zelfs na diens dood blijft stromen). Elsa krijgt twee dochters, toch nog. Hun conceptie is te danken aan het feit dat Diepenbrocks seksuele gevoelens zijn ontwaakt door de avances van een jonge aanbidster. Wel leeft zij voortaan in het kwellende besef dat haar man altijd weer zwicht voor zulke avances.

Haar revanche is een liefdesaffaire met een protegé van haar man, de muziekcriticus en componist Matthijs Vermeulen, twintig jaar jonger dan zij. Eén jaar gunt zij hun passie, niet meer... en de rest van haar leven voelt zij zich er schuldig over.

Gehuwd met een gifgasspecialist

Cécile hertrouwt in 1904 met een Franse jood van Poolse afkomst, de chemicus Michel Frenkel. Hij is specialist in gifgas en levert zijn aangenomen vaderland in de Eerste Wereldoorlog gewaardeerde diensten. Van de feministe van weleer is alleen de bazigheid overgebleven. Cécile wordt net als haar man devoot katholiek en blijft tot het eind van haar leven, in 1944, aanhangster van de neofascistische, antisemitische beweging Action Française.

Elsa wijdt zich na Diepenbrocks dood samen met haar twee dochters geheel aan de postume roem van haar man. Ze overlijdt in 1939. In 1946 trouwt haar jongste dochter, Thea, met Matthijs Vermeulen (1888-1967) – het is de laatste verbluffende wending in het boek.

In een uitvoerig nawoord vertelt de schrijfster, hoogleraar aan de universiteit van Namen, over de ontstaansgeschiedenis van het boek. Ze is er lang mee bezig geweest. Alleen al de vracht aan dagboeken die Elsa Diepenbrock naliet vormt een unieke bron, maar er dook steeds meer materiaal op. Leijnse kreeg medewerking van nakomelingen van beide vrouwen; met lef en speurzin wist zij zelfs een Franse kleinzoon van Cécile te traceren, die een goede zegsman bleek over het merkwaardige latere leven van zijn grootmoeder.

Het boek had ongetwijfeld twee of drie keer zo dik kunnen zijn, maar Leijnse verveelt haar lezers niet met duizenden oninteressante details. Zij houdt de vaart erin: zelfs een enkele literair-historische uitweiding, zoals een polemiek tegen Elsbeth Etty die in Couperus’ roman Langs lijnen van geleidelijkheid een portret van Cécile Goekoop meent te zien, is naar de noten verbannen.

Het resultaat is een boek dat niet alleen serieus is, maar ook weldadig goed geschreven.