Opinie

De duivel is zwart

De indiaanse overgrootmoeder van wie ik (naast mijn Nederlandse moeder) mijn blauwe ogen heb, is haar hele leven katholiek geweest. Daarom ging ik naar de zondagsmis in de grote, houten Sint Petrus en Pauluskathedraal in Paramaribo.

Op het bankje voor me zaten drie gapende, donkere jongens in laaghangende broeken. Naast me een chique, bejaarde vrouw, net als ik met indiaans bloed. De priester, de beelden, de mensen op de schilderijen en de pater die achterin de kerk begraven ligt, waren wit. „Wel vreemd dat alle heiligen hier blanke mensen zijn”, fluisterde ik tegen mijn buurvrouw. „Ja”, lachte ze, „en de duivel is zwart!” „Rood toch?” vroeg ik. Rood-zwart, zei zij. Dus eigenlijk: een rode neger. Dat is hoe mensen met mijn kleur hier worden genoemd.

Ik hou best van Jezus en Maria en hun vrienden. Maar als halve Surinamer die naar Suriname kwam om uit te vinden wat leuk is aan een halve Surinamer zijn, wil je horen over sprookjeshelden in dezelfde kleur als de mensen die in dit land leven. Inmiddels weet ik, die zijn er best. Laatst bijvoorbeeld, hoorde ik dit: slaven geloofden dat de slaven die de overtocht van Afrika niet overleefden, veranderden in vogels. Ze vlogen mee met het schip om de levenden te beschermen. Toen de eerste slaven van de plantages vluchtten, wezen vogels hun de weg naar een veilige plek.

Rome heeft het Vaticaan, Suriname heeft winti. Mijn Surinaamse familie wil er niets van weten en er is veel aan winti wat ik zelf griezelig vind, maar als je iets wilt weten over de kracht van dit land, kun je niet om winti heen. Het is het geloof waarmee slaven de slavernij hebben overleefd. Bovendien: een van mijn voorouders was een wintipriester die zichzelf kon veranderen in een tijger. Met krachten van de duivel.

Zo kwam ik terecht bij Elly Purperhart, een 84-jarige wintipriesteres over wie onlangs een boek verscheen. Ze werd bekend door haar jaarlijkse ‘switi watra’ op het Onafhankelijkheidsplein. Een wintiritueel waarbij je overgoten wordt met kruidenwater om goed het nieuwe jaar in te gaan. Zoiets als dopen in de christelijke kerk. Niks revolutionairs. Maar dat was het wel toen ze ermee begon. Tot 1973 was winti verboden. Elly was de eerste wintipriesteres die winti weer in de openbaarheid bracht.

Ik wil weten of alle duisternis die dit land heeft doorstaan op de een of andere manier toch heeft geleid tot licht. Nee, zegt Elly, want er is nooit een moment van bezinning geweest. Nederlanders weten niet hoe ze kregen wat ze kregen. En Surinamers schamen zich voor hun eigen kracht. Ze zegt: „Mensen die hun geschiedenis niet kennen, kennen zichzelf niet.”

Later die middag zit ik op een terrasje vol Nederlanders, die met fronsende wenkbrauwen en hangende mondhoeken dingen zeggen op een toon alsof ze alles weten. Want zo praten Nederlanders, ik ook. Niet omdat we alles weten, maar omdat er anders niet naar je geluisterd wordt. De enige lachende Nederlander zit aan tafel met een Surinamer. Frappant, denk ik, dat de mensen uit het land van de ‘verliezer’ zo veel makkelijker lachen dan de mensen uit het land van de ‘winnaar’. Ik weet niet waar die lach vandaan komt, maar ik weet wel wat die lach heeft doorstaan. Die lach is niet naïef. In die lach schuilt een wijsheid waarvan de hele wereld iets zou kunnen leren.