Vuur stoken is een kunst

Mannen lezen massaal boeken over houthakken en vuur maken. Prima. Maar kunnen ze het eigenlijk nog wel? Hans Nijenhuis gaat in de leer.

Illustratie Aart-Jan Venema

Illustraties's Aart-Jan Venema

Zeg eens eerlijk, als het erop aankomt, u bent met uw gezin na een schipbreuk aanbeland op een onbewoond eiland, kunt u zich dan redden? Zou u vuur kunnen maken om vrouw en kinderen warm te houden en voedsel te bereiden?

Goed, iets realistischer: u overnacht tijdens een avontuurlijke vakantie in een trekkershut met een houtkachel. Kunt u die brandend houden gedurende de nacht zodat ze ’s morgens niet in de ijskou wakker worden?

Of nu ja, vooruit dan: kunt u een openhaard aanmaken?

En dan bedoelen we natuurlijk: echt? Als u na een lange winterwandeling samen thuiskomt en zij zegt ‘ik maak wat lekkers, steek jij het vuur aan’ en u gaat met van die aanmaakblokjes aan de gang, dan moet u niet verbaasd zijn als zij met een diepvriespizza aan komt zetten.

Charles Darwin noemde de beheersing van het vuur ‘waarschijnlijk de grootste ontdekking ooit door de mens gedaan’. In het standaardwerk Vuur en beschaving, in 2015 opnieuw uitgegeven, schrijft socioloog Johan Goudsblom: „Voor alle op aarde levende dieren is voedsel verreweg de belangrijkste bron van energie. Er is op deze regel maar één uitzondering, en dat zijn wij. Alleen mensen hebben geleerd ook een tweede bron van energie aan te boren, namelijk brandstof.”

Mooi. Maar zijn we die vaardigheid niet aan het verleren in een samenleving waar „de slimmeren het regelen voor degenen die wat dommer zijn”? (Die zin komt uit Lars Mytting’s De man en het hout, een ook al recent verschenen populair boek over hout kappen en vuur maken.) We kunnen de radiator ontluchten, de ketel bijvullen, wie bewust bezig is kan zonnepanelen bestellen, maar wat als de stroom uitvalt? Ah, u heeft het nummer van de onderhoudsmonteur bij de hand. Wat als hij niet opneemt?

De stoel uit en het bos in dus. Bijvoorbeeld met Cor Slager, een 33-jarige Groninger die tijdens zijn vier jaar bij het korps mariniers alles leerde over overleven. Nu heeft hij een bedrijf, Leef Outdoor, dat buitensportervaringen organiseert. Cor neemt je met plezier de bossen in, om hout te sprokkelen en een vuur te maken. Ook op een dag als deze, als in het bos bij Zuidlaren de temperatuur onder nul is en de grond bedekt met sneeuw. Na een middag met hem weet je: echte liefde is wensen dat als het werkelijk tot een schipbreuk komt, je vrouw naast Cor zit en niet naast jou.

„Stap 2 is hout zoeken.” Hij gebaart om zich heen. Begin maar.

Stap 2? Ja, stap 1 is tondel verzamelen. Dat had allang moeten gebeuren. Tondel is de verzamelnaam voor alles wat makkelijk vlam vat. Schors, droog gras, pluizen riet. „Dat verzamelen wordt een instinct”, zegt Cor. „Begin er vroeg mee, dan krijgt het spul tijd om te drogen, in de jaszak. Want onbewust weet je: er komt een moment dat je vuur moet maken.”

O ja? Weet een man dat? Als je een baard laat staan en je draagt een houthakkershemd, ben je dan een houthakker? Of weten de meeste mannen helemaal niets meer van de natuur en dromen ze alleen maar over ‘jezelf op de proef stellen’? En kan of wil een vrouw net zo goed vuur maken? Natuurlijk! Voor dat geval: pluis een tampon uit elkaar, smeer er Labello of lipstick op en je hebt super tondel. „Maar ik zou er zuinig op zijn”, zegt Cor. „Tampons kun je ook gebruiken om wonden mee te stelpen.”

Hout raap je van de grond

Waarom had hij het eigenlijk over hout zoeken, terwijl overal in het bos toch bomen staan? „Hout raap je van de grond”, wijst Cor. Takken aan bomen bevatten nog veel sap en branden dus slechter. Plus: we willen geen sporen achterlaten. Dat is het respect voor de natuur van de buitensporter, het onzichtbaar blijven voor de vijand van de marinier, en het gewoon niet gesnapt willen worden van de Nederlander. Het bos in gaan om hout te kappen en een fikkie te stoken is in ons land verboden. Die hoofdstukken over de aanschaf van bijlen en kettingzagen kunnen we dus vergeten. Het is hier Noorwegen niet.

Welke soort hout brandt het beste? En welk hout is bij verbranding het minst schadelijk voor het milieu? „Bewaar die vragen maar voor thuis, als je geregeld een houtkachel of de haard aansteekt”, zegt Cor. „Buiten ben ik gewoon blij als ik hout vind. We moeten vuur hebben.”

Moeten we vuur hebben? Wat is dat nou voor vraag, vindt Cor. Vuur kan nodig zijn voor veiligheid (je houdt er hongerige dieren mee op afstand). Voor warmte (je kunt er omheen zitten). Voor voedsel (verwarmd smaakt meestal beter). Maar vooral: „Voor het moreel. Als het je lukt om een vuur te maken, heb je in een lastige situatie een eerste stap gezet. Je hebt een basis.” Vervolgens kun je je warmen, in de vlammen staren. „Vuur geeft een gevoel van welbehagen.”

Na meer dan een half uur actief sprokkelen, waarbij we een terrein met een straal van zo’n 150 meter hebben afgezocht, ligt er een flinke stapel hout. Genoeg om op te koken? „Dat?”, lacht Cor. „Dat is in een kwartiertje opgebrand.”

Bovendien gaat er nog helemaal niets in brand. Eerst moet het hout worden gesorteerd. Op dikte. Niet op lengte, want alle takken moeten hoe dan ook even lang zijn, een hanteerbare centimeter of dertig. Dus ga de grotere takken eerst maar breken. Een man als Cor maakt wel zes verschillende stapels, de kleinste takjes dicht bij waar straks het vuur komt, de dikste het verste weg.

Bomen hebben geen stopcontacten

Het sorteren is het moment dat je in een groep de eerste irritaties ziet ontstaan, is de ervaring. Hebben ze eerst een half uur met takken lopen zeulen door het bos, moeten ze die nu nog op maat maken en bij elkaar leggen? Waar is dat voor nodig? Het gaat toch allemaal in het vuur? Dan gaan mensen er bij zitten, commentaar leveren. „Het is onze maatschappij”, denkt Cor. „Er is altijd wel iemand die het voor je regelt.” Maar de bomen hebben geen stopcontacten, hoe vaak heeft hij dat al niet moeten uitleggen?

Intussen hebben we een vierkante meter grond sneeuwvrij gemaakt. De sneeuw en aarde netjes op een hoop, daarmee kunnen straks de resten van het vuur weer worden toegedekt. (Geen sporen achterlaten immers.) Van de dikste takken bouwt Cor een vierkant. En daar middenin een bedje van berkenschors met daarop twijgjes en snippers schors. Dan diept hij uit zijn broekzak een flint op, een magnesium staafje. Wrijf er metaal langs, bijvoorbeeld een sleutel, en er komen vonken vrij. Proberen, proberen, proberen. Na de zesde poging slaat de vonk over. Een pufje rook, een vlammetje. Nu de twijgjes erop. Vlammen. Kleine takjes erbij. Vuur! Cor is zo geconcentreerd als een kok achter zijn formuis. „Vuur maken is een kunst, je bent er echt wel even mee bezig.”

Voor een goed vuur is een paar uur voorbereiding heel gewoon. In die tijd had je er ook een boek over kunnen lezen. Of boodschappen kunnen doen, natuurlijk. Voor het hele gezin. Koken, afwassen, de vuilnis buiten zetten. (Begin daar allemaal eens mee, zei mijn vrouw toen ik over dit artikel vertelde.)

Als Cor er even niets aan doet, worden de vlammen kleiner, gaat het vuur weer uit. Hij lacht. „Kun je weer opnieuw beginnen. Het is net het leven hè.”