Column

Superieur

In Zolder is een viptent voor drieduizend bezoekers opgetuigd. Scheiding van rang en stand is niet des veldrijden, maar de commercialisering van de cross is niet tegen te houden. Drieduizend is gelukkig nog een behoorlijke minderheid op zeventigduizend toeschouwers. De grootmachten op een WK veldrijden blijven bier en patat. En kaplaarzen, want er zal wat afgeploeterd moeten worden nu een wolkbreuk is voorspeld. Aan de voeten iedereen proletariër, ook de vips in hun champagnetent. En de vrouwen die altijd talrijk aanwezig zijn op de cross.

In tegenstelling tot de weg spreekt veldrijden vooral tot de verbeelding van boeren en buitenlui. Publiek en renners verenigd in een panorama van koeienvlaaien, modder en vertrapt gras. Her en der een strookje asfalt, als getreiter. Veldrijden is nostalgie naar antieke tijden, maar wel op fietsen van tienduizend euro. En de huidige generatie kampioenen is even modern van vorming en levensstijl als Peter Sagan en Niki Terpstra. Ze komen ook met Porsche of SUV naar de cross.

Lars van der Haar is nog lichtjes gevlekt naar bloemetjesbehang in de huiskamer, maar Mathieu van der Poel en Wout Van Aert hebben zondag de flair van playboys. Mathieu heeft een lichaam en gezicht met de snit van haute couture. Ook nog lieve, vriendelijke jongen die ordinaire grootspraak schuwt.

Van der Poel doet me altijd denken aan Marianne Vos, die ik erg mis in het peloton. Ze is er zondag weer niet bij, terwijl ze de glans van de regenboogtrui van binnenuit kent. Haar prestaties als veldrijder zijn overschaduwd door haar eclatante machtsontplooiing op de weg, maar haar stijl in het veld was superieur.

Een hinde tussen macht en gratie.

Het is doodzonde dat ze door aanslepend blessureleed de hele winter heeft stilgelegen. Geen andere renner heeft het veldrijden zo gefeminiseerd als Marianne.

Ik had ze samen graag in het veld gezien, Vos en Van der Poel: uniek uithangbord voor de cross en voor Nederland. Een duo met charisma en wervingskracht. Meer tulpen dan klompen, dat zeker.

Bij nationale selecties voor wereldkampioenschappen ontstaat altijd gedrum van sponsors en politiek. Belgische selecties laten zich daarom vaak kennen aan verdeeldheid en struikroverspraktijken. Het is altijd een beetje hommeles. Met Van Aert als uitgesproken kopman is de kans op achterbaks opbod afgenomen. In Nederland is het kopmanschap van Mathieu van der Poel al helemaal onbetwist. Alleen begrijp ik niet waarom Lars Boom nog in de selectie is opgenomen. De renner van Astana is zelf oud-wereldkampioen en dan ga je een wedstrijd automatisch met stille ambities in. Boom waagde zich eerder aan een comeback, maar kwam als laatste over de streep. Van zijn soepele acrobatiek was geen sprongetje meer te bekennen. Ook daarom moet zijn deelname aan de WK in Zolder Mathieu van der Poel op de zenuwen werken.

De afgang van Lars Boom in zijn eerste cross deze winter bewijst dat het niveau van veldrijders spectaculair gegroeid is. Boom en Stybar kunnen dat niet meer bijpikkelen. Ze vinden de balans niet meer, vergapen zich aan de timing van intervalritme en worden horendol van het draaien en keren. Veldrijden is een hooggekwalificeerd vak geworden dat de vloer aanveegt met toevallige amateurs. Wielrennen is nu letterlijk uiteengevallen in de weg, de baan en het veld. In de zomer ronderenner en in de winter pistier is een dwaze combinatie die tot ongelukken leidt.

Alleen materiaalpech kan Mathieu van der Poel uit het regenboogtricot houden. Nederland heeft nog voor jaren een wereldtopper.