Polentalover

Polenta is typisch zo’n gerecht waar je of wel pap van lust of waar je de bibbers van krijgt. You love it or you hate it. Zelf was ik onmiddellijk verkocht bij de eerste hap, ooit, lang geleden, ergens in een dorpje in de buurt van het Gardameer. Er staat me een beeld bij van een Italiaanse nonna die met een pollepel stond te roeren in een knoeperd van een koperen ketel. Mijn vader, die in zijn beste vakantie-Italiaans vroeg wat ze daar maakte. Polenta. Op mijn tenen kon ik net over de rand kijken. Een goudgele, zoetgeurende zalf golfde door de pan. „Kun jij vragen of ik dat mag proeven, pappa?”

Later, tijdens andere vakanties in Italië, at ik telkens weer polenta. Ik herinner me een plastic kommetje gloeiende maisgries op een bloedhete kermis, dat ik glunderend naar binnen lepelde terwijl iedereen om me heen aan ijsjes likte. Ik herinner me een aardewerken schaal ‘polenta uncia’ in een berghut, met een shitload kaas erdoor, overgoten met bruisende, bruine boter geparfumeerd met knoflook en salie. En ik droom af en toe nog van ‘polenta saracena’ – polenta van gemalen mais en boekweit – in een klein restaurantje in Valtellina. Dikke, in boter gebakken plakken geserveerd met spiegeleieren en Parmezaanse kaas.

Nee, persoonlijk kan ik me nauwelijks voorstellen hoe je niet van polenta zou kunnen houden. Maar ik heb het vaak genoeg aan gasten voorgezet om te kunnen weten dat dat echt voorkomt. Tegenwoordig informeer ik daarom altijd van tevoren wanneer ik van plan ben om dit gerecht op te dissen. Des te groter is het plezier wanneer je een liefhebber te eten krijgt.

Voor zo’n mede-polentalover maakte ik laatst een kazige polenta met paddestoelen en gebakken eieren en daar werden we allebei eventjes intens gelukkig van. Ik had een paar saffraandraadjes meegekookt die de pap nog warmer geel kleurde en de smaak ook net een tikje rijker maakte. Een vleugje knoflook bij de paddestoelen, een pietsie peterselie, het eigeel dat stroperig uitvloeide tot een saus; het was een stevig, hartverwarmend maal. Ideaal voor een koude winteravond.

Janneke Vreugdenhil