‘Overal bij willen zijn hoeft niet meer van mezelf’

Jim Jansen (44) is hoofdredacteur en zijn vrouw Claudine (44) werkt als mondhygiënist. „We doen zeker één keer per week een biertje in de kroeg.”

Jim: „Twintig jaar geleden wilde ik nog overal bij zijn, dat hoeft niet meer van mezelf.”

Jim: „We hebben elkaar leren kennen toen we op reis waren. Ik vertel altijd dat we elkaar in Belize hebben ontmoet. Vind ik mooi klinken.”

Claudine: „Het is eigenlijk Guatemala.”

Jim: „Ja, oké. Nou ja, Belize is mooier. We waren allebei aan het reizen, en toen ik in een hostel met haar in gesprek raakte scoorde ze gelijk heel veel punten.”

Claudine: „We hadden dezelfde muzieksmaak.”

Jim: „Nee, beter nog: ze luisterde precies mijn lievelingsmuziek. Het album Thunder and Consolation van rockband New Model Army.”

Claudine: „Exact vier jaar later zijn we op die datum getrouwd. Ik kom eigenlijk uit Zwitserland. Met de kinderen en tegen onze kat Mister X spreek ik nog Zwitser-Duits.”

Huiskamer vol kranten

Claudine: „Ik werk twintig uur in de week als zelfstandig mondhygiënist. Daarbij heb ik een taartbedrijf, de taarten bak ik in het weekend en in de avond. Het begon als hobby, zodat ik mijn creativiteit kwijt kon, maar het loopt nu goed.”

Jim: „Ik ben hoofdredacteur van wetenschapsblad New Scientist. Ik lees daarom altijd veel, we zijn nog ouderwets abonnee van drie kranten. Vooral van de dikke zaterdagkranten kan ik genieten.”

Claudine: „De kranten liggen dan overal in de huiskamer verspreid.”

Jim: „Ja. Ik vind het heerlijk om nuttige of leuke artikelen uit te scheuren, en als ik de krant uit heb gooi ik ’m naast me neer.”

Claudine: „Ik train een paar keer per week voor marathons.”

Jim: „Claudine loopt drie marathons per jaar. Wat is je tijd nou?”

Claudine: „Nou, dat valt wel mee.”

Jim: „Ik vind het heel knap.”

Claudine: „Ik loop meestal 60 of 70 kilometer per week. Dat is op een dag meestal een rondje van zo’n 20 kilometer. Dan ben ik bijna twee uur aan het rennen. Op zaterdagochtend sta ik vroeg op, ga ik lekker lopen en kom met verse croissantjes thuis terwijl iedereen nog slaapt.”

Jim: „Samen ontbijten vinden we belangrijk.”

Claudine: „We hebben de afspraak dat er geen mobieltjes aan tafel mogen.”

Jim: „Daar letten de kinderen ook streng op, die protesteren als ik ’m toch heel af en toe oppak aan tafel.”

Elkaar wat gunnen

Claudine: „We hebben veel vrienden zonder kinderen. Voordeel is dat ze vaak in de kroeg zitten, nadeel dat ze niet altijd snappen dat wij niet altijd kunnen afspreken.”

Jim: „We gaan elke week minimaal één keer samen wat doen, dan beginnen we met een biertje in de kroeg.”

Claudine: „Ik ga vaak naar bandjes. We wisselen elkaar af zodat er toch iemand thuis is voor de kinderen. Dat is nooit een probleem, als ik weet dat hij donderdag wat heeft, ga ik woensdag weg.”

Jim: „Je moet elkaar dingen gunnen. Twintig jaar geleden wilde ik nog overal bij zijn, dat hoeft niet meer van mezelf. Als ik de kinderen twee dagen in de week niet naar bed heb gebracht, zorg ik dat ik er de derde avond wel ben. Miquel kon anderhalf jaar geleden niet zo goed lezen. Dan lees ik hem voor het slapengaan elke dag vijf pagina’s voor, en dan hij mij weer een pagina. En we gaan elke week naar de bibliotheek. Nu vindt hij lezen ontzettend leuk.”

Claudine: „Op de dagen dat ik niet werk, heb ik al gekookt.”

Jim: „Ja, dat is heerlijk.”

Jim: „Voor mij is het laatste half uur op mijn werk het drukste moment. Ik wil half zes op de fiets naar huis zitten, daar ben ik redelijk streng in.”

Claudine: „Als ik wel werk, kookt de oppas of halen we iets, zoals patat.”

Jim: „En dan groente voor Claudine, die houdt niet van patat. Het is echt aan haar te danken dat we heel gezond eten.”

Claudine: „We houden allemaal enorm van groentes. Toen ik Jim leerde kennen dacht ik nog: ik heb nog nooit een man gezien die zo veel salade at. We zijn allebei vegetariër, de kinderen ook.”

Jim: „Ze vragen ook niet om vlees, maar mogen later wel zelf kiezen.”

Chaotisch versus netjes

Jim: „Wij hebben totaal andere karakters.”

Claudine: „Dat valt wel mee, toch?”

Jim: „Nou, ik ben wat makkelijker, bijvoorbeeld in opruimen. Als jij een weekend weg bent, ga ik daarna met de kinderen enorm schoonmaken.”

Claudine: „Hij is een uitslaper en ik heb meer energie ’s ochtends. Dan denk ik: hoe fijn zou het zijn als er nu twee met veel energie rondlopen.”

Jim: „Mijn werk loopt altijd door. Als ik op de redactie kom, is het nooit klaar. Ik sta zaterdag daarom niet om half acht op. De kinderen hoeven gelukkig ook niet naar sportclubjes.”

Claudine: „Ik doe wel het meeste in huis qua schoonmaken. Jim is heel chaotisch, ik heel netjes. Maar we zijn naar elkaar toegegroeid. Nu pakt Jim net zo snel de stofzuiger. Ik doe wel de meeste boodschappen.”

Jim: „Ik doe ook boodschappen! Funboodschappen noem je dat.”

Claudine: „Jij koopt gewoon waar je zin in hebt. Ik koop wat nodig is.”