Mijn eerste Matthäus staat al gepland

Vanaf 2018 is hij de nieuwe chef-dirigent in New York. Jaap van Zweden over succes, discipline en het mecenaat in de VS. „ Je haalt geen dollar binnen als er geen liefde bestaat voor een orkest.”

Tekst Mischa Spel

Wanneer hij het wist? Al tien dagen. En hoe hij het vierde? Niet met champagne, want hij drinkt niet. Wel met een vlucht van Hongkong naar New York (15 uur) na afloop van laaiend enthousiast ontvangen opvoeringen en een cd-opname van Die Walküre aldaar. En na de persconferentie in New York woensdag met een vlucht (5 uur) naar Dallas, waar gisteren gewoon weer Mozart, Poulenc en een wereldpremière van een hoboconcert op het programma stonden. „Ik ben hier nu net weer aangekomen”, zegt Van Zweden. „Gedoucht. Roomservice. En dan door naar de repetitie.”

Er rouleerden lijsten met namen. U werd het, de nieuwe chef-dirigent in New York. Waarom?

„Dat moet je de musici vragen. Zij gaven mij hun unanieme stem.”

Hoeveel gesprekken heeft u met het orkest gevoerd?

„Drie. Dirigenten die op het laatste moment aangaven niet beschikbaar te zijn voor de post, zoals Esa-Pekka Salonen, tsja… Misschien had ik dat zelf ook wel gezegd, als ik het niet geworden was. Maar daar hing de benoeming natuurlijk niet op. Waarop wel? Op de enorme klik die ik voelde met het orkest toen ik er in 2012 de Eerste Symfonie van Mahler dirigeerde. Heel veel musici kwamen woensdag naar me toe en zeiden: na die Mahler wisten we dat jij het moest worden.”

Dus dat wordt veel Mahler met het orkest?

„Het is voor geen enkel orkest goed om meer dan drie Mahlers per seizoen te spelen, maar een meerjarige cyclus? Ja, dat zou goed kunnen. Mahler zit in het DNA van de New York Phil, hij was er de chef, en dan waren er nog de Mahlers onder Bernstein... Maar de samenstelling van het repertoire moet altijd vooral een kwestie zijn van de juiste balans. Geen stijl mag domineren. Onder Alan Gilbert lag er een nadruk op moderne muziek. Dat is belangrijk in New York, en daar ga ik zelf ook stevig op inzetten. Het grappige is dat ik ook echt waanzinnig enthousiast ben over nieuwe muziek, dat weten ze niet echt in de VS. Maar dat is niet erg. Ik heb geen haast, wel een kast vol eigentijdse partituren die ik meeneem en waarmee ik ze aangenaam ga verrassen, haha. Het ijzeren repertoire – Beethoven, Brahms, Bruckner – in stand houden. Een gat in het repertoire daar dat ik wil dichten vormen de klassieken; Mozart en Haydn. En Bach! Ik ben opgevoed met Bach en de inzichten van Nikolaus Harnoncourt en Ton Koopman. Mijn eerste Matthäus Passion staat al gepland zelfs, in 2017, het seizoen voordat ik officieel begin als chef. Bij het Koninklijk Concertgebouworkest hoop ik de Matthäus trouwens zeker ook te doen, ooit.”

Deze week zond AVRO-TROS het eerste deel uit van een zevendelige documentaire over u. Wie dat zag, weet: Van Zweden werkt veel. Wat betekent uw benoeming in New York? Nog harder werken?

„Ja, haha, dat denk ik wel. New York wil me veertien weken hebben, en dan zijn we er nog zes op tournee, dus in de praktijk zou het goed kunnen dat ik soms twintig weken per jaar voor het orkest sta. Tegen sommige orkesten zal ik dus geen ‘ja’ meer kunnen zeggen. Er is een nieuwe hoofdweg, en dat is New York. En daar zijn wegen naast: de orkesten in Wenen, Berlijn, Amsterdam, Londen, Chicago, Cleveland, Philadelphia, Los Angeles en Hongkong waarmee ik graag werk. In Hongkong blijf ik ook aan als chef, want ik ben ontzettend trots op mijn oosterse kind. De kwaliteit van dat orkest is echt in een enorme stroomversnelling geraakt, en daar wil ik goed van genieten.”

Orkesten opbouwen – dat tekende aan het begin van uw carrière ook uw succes bij het Orkest van het Oosten en het Residentie Orkest, en recenter: in Dallas. Is daar een formule voor? Of vereist elk orkest een eigen benadering?

„Ik vind het hoe dan ook altijd sterker om uit te gaan van het materiaal dat er is, en dus geen musici te vervangen. Je moet altijd respect hebben voor het DNA van het orkest, dat is belangrijk. Maar in Hongkong voelde ik gewoon meteen dat het potentieel groter was dan de prestatie, al moet ik zeggen dat ik ook vruchten pluk van het voorwerk door Edo de Waart.

„In New York is dat anders. Daar is het instapniveau meteen hoog. Je weet wie er allemaal voor dat orkest hebben gestaan, en je hoort het. Ik stel me voor dat het, met een slecht gekozen woord, een speeltuin zal zijn om als dirigent uit al die DNA-structuren te mogen putten.”

Maar er is ook de dagelijkse omgang met de musici.

„Ja. Natuurlijk. Ik heb er in Dallas keihard aan gewerkt het spelniveau te verbeteren en dat lukt alleen met discipline. En het scheppen van een bepaald werkklimaat. Het beste uit jezelf willen halen, en met niets minder genoegen nemen. Kijk, iedereen heeft in de krant kunnen lezen dat de musici in Dallas wel eens gepikeerd hebben gereageerd omdat ik zo veeleisend ben. Maar na een echt goed concert gaan ze wel allemaal met een big smile naar huis, omdat ze weten dat ze op hun best hebben gespeeld. Dáár gaat het me om. Ik hoef niet met ze op vakantie en het zijn mijn vrienden niet.

„Ik heb het liefst dat het er tijdens repetities vriendschappelijk aan toegaat, natuurlijk. Maar ik stel wel eisen. Laatst stond ik voor een orkest in Parijs. Die musici praatten allemaal, de repetitie begon ontzettend onrustig. Toen heb ik alles stilgelegd en gezegd: ‘Ga nu maar eerst tien minuten praten, dan’. Ze waren verbijsterd! Maar je moet praten als je praat en werken als je werkt, vind ik. Daar moesten ze om lachen. Daarna heb ik geen last meer gehad.”

New York. Hongkong. Een huis in Amsterdam. Gastdirecties bij al die andere orkesten. Dus uw dagelijkse praktijk is straks….

,, ...cirkelen tussen New York, Hongkong en Amsterdam, haha. Maar er gaan meer vluchten naar New York dan naar Dallas. Wat dat betreft wordt het allemaal wel makkelijker.”

Bent u überhaupt nog wel eens ‘thuis’ in Amsterdam?

„Ja. Over tien dagen ga ik naar huis. Dan ben ik daar een week. En op 5 april leid ik Camerata RCO in een benefietconcert voor de Stichting Papageno. Ook bij het Radio Filharmonisch zal ik terugkeren, bij voorbeeld voor een Tannhäuser in 2017, waar ik me nu al op verheug. Maar véél thuis zijn? Nee. Drie, vier weken per jaar, meer is het niet. Ooit komt de dag dat ik ga minderen met dirigeren, en dan kom ik naar Amsterdam. Ik blijf ook lid van Ajax, en zo zijn er meer onverbrekelijke banden met de stad. Ik ben een Amsterdammer. Maar ik voel me ook, nu al, een New Yorker. Op de persconferentie woensdag keek ik uit op de Juilliard School of Music, waar ik bijna drie jaar heb gestudeerd. Dat was een sensatie. Ik voel me verbonden met die stad. En je kunt prima Amsterdammer en New Yorker zijn, toch?”

Als ik het gemak en de humor zie waarmee u zich beweegt op evenementen voor sponsors, denk ik: uw Amsterdammer-zijn, de nuchterheid, die helpt u daar, in die wonderlijke wereld.

„Jij noemt het Amerikaanse mecenaat wonderlijk, dáár vinden ze het Europese subsidiestelsel wonderlijk. De essentie is voor mij dat je geen dollar binnenhaalt als er geen liefde bestaat voor een orkest. Je moet mensen inspireren om ze te laten geven. Dat gaat veel soepeler na een geweldig concert dan na een slappe avond. Vervolgens is het zaak om niet te denken dat mensen bereid zijn tekorten in de begroting zomaar vol te storten. Nee, je moet ze zien te winnen voor concrete projecten, voor spannende ideeën. Dat heeft in Dallas heel goed gewerkt. Ik ben bij voorbeeld echt trots op het Scholars Program dat ik daar heb ontwikkeld, en dat zo succesvol is dat New York het misschien wil overnemen. Het stelt topstudenten uit de hele wereld in staat langere tijd mee te spelen met het orkest, een diploma te behalen en liefst daarna tot de vaste bezetting door te dringen. Op die manier kweek je je eigen opvolgers, dat werkt heel erg goed.”

U heeft hart voor educatie, doet ook mee aan de net gestarte campagne waarmee het Concertgebouw zijn digitale lesmethode Kazoo introduceert. Betekent dat dat u zich in New York ook voor het enthousiasmeren van kinderen gaat inzetten? Zoals Bernstein óók deed?

„Educatie vind ik ontzettend belangrijk. En het is ook de taak van een Music Director, want we moeten ervoor zorgen dat de klassieke muziek niet uitsterft. Ik zet me daar graag voor in. Maar praten tegen publiek vind ik lastig. Ik ben geen prater, ik ben er gewoon niet goed in. Zie de zevendelige documentaire die over me is gemaakt (elke donderdag om 21.15 uur op NPO2): ze moeten de woorden echt uit me trekken. Dat is soms jammer. Maar inspireren vind ik fantastisch om te doen.”

Zo brak u ooit een lans voor violiste Simone Lamsma in Dallas. Bent u van plan ook Nederlandse musici en componisten in New York te introduceren?

„Ja, ik ga een duidelijke ambassadeursrol spelen en daar verheug ik me op. Lamsma zal ik zeker vragen. De pianobroers Jussen, violiste Janine Jansen, celliste Harriet Krijgh, als ze het leuk vindt en als het klikt. Nederlandse topmusici daar presenteren – dat zal ik met trots doen.”

En componisten?

„Ook. Met Louis Andriessen wil ik koffie drinken en hem vragen voor mijn inauguratieconcert in New York een mooi stuk te maken. Componist John Borstlap heeft me verbaasd met een hartstikke goed stuk dat hij voor me heeft gecomponeerd. Hij geldt in het Nederlandse componistencircuit als een outcast, maar ik kijk alleen naar de kwaliteit van de noten. Het NYConcerto van Richard Rijnvos is fantastisch, dat ga ik daar ook doen natuurlijk. En met Michel van der Aa ben ik ook al in gesprek.”

Uw volgende grote carrièrestap is in mei uw debuut aan de Wiener Staatsoper, met Wagners Lohengrin. Hoe beïnvloedt ‘New York’ de rol van opera in uw agenda?

„Ik houd erg van opera en ik hoop en verwacht dat die Lohengrin naar meer smaakt en dat opera een grotere rol zal gaan spelen in wat ik doe. Het liefst zou ik ooit een eigen operahuis leiden, maar waar en wanneer... Nee, daar denk ik gewoon echt nog niet over na. Ik concentreer me op wat ik heb, niet op wat ik niet heb. Als ik naar onze autistische zoon kijk, die met het kleinste ontzettend blij kan zijn, is dat de les die ik keer op keer leer: wees blij met wat je hebt.”