Column

Je kan niet genoeg domme vragen stellen

Toen Michael Lewis het boek The Big Short schreef, maakte hij zich over één ding geen zorgen: dat er een film van het boek gemaakt zou worden. Te ingewikkeld, die financiële crisis van 2008 met zijn absurde toren van financiële gokproducten die uiteindelijk de wereldeconomie deed wankelen. „Wie zou een film willen maken over credit default swaps?”, schrijft Lewis eind december in Vanity Fair over de film die er toch kwam.

Ik kon niet wachten om de film te zien want The Big Short is mijn lievelingsboek over de crisis. Ontstaan uit één fantastische vraag die Lewis eind 2008 stelde, toen velen claimden dat zíj de crisis hadden zien aankomen: wie had er daadwerkelijk geld op ingezet? Wie had gegokt tegen de financiële gekte, tegen ‘het systeem’? „Het is niet makkelijk om afstand te nemen van massahysterie – om te geloven dat het overgrote deel van het financiële nieuws fout is, om te geloven dat de meeste belangrijke financiële mensen liegen of misleid zijn – zonder zelf gek te zijn”, schrijft Lewis, zelf ooit obligatiehandelaar, in zijn voorwoord. Wie had echt die moed gehad?

Hij vindt ongeveer een dozijn gokkers, big shorters in zijn termen. ‘Short gaan’ staat voor: je geld inzetten op een koersdaling. Een dozijn mensen die immens veel geld verdienden aan hun gok, toen de markten instortten in 2007 en 2008. Lewis kiest als hoofdpersonen een handvol sympathieke zonderlingen. Zoals Michael Burry, de eerste van het stel die doorhad dat de markt voor hypotheken in de VS zou gaan instorten. Burry is een voormalig dokter met de autistische stoornis Asperger die in Californië een beleggingsfonds oprichtte na op internet naam te hebben gemaakt met zijn financiële analyses. Hij ziet al in 2004 dat het mis zal gaan.

Een andere big shorter, Steve Eisman (Mark Baum in de film) ziet zijn gok tegen het systeem als een morele kruistocht tegen de financiële elite die schaamteloos gewone mensen uitbuit. De big shorters moeten jaren weerstand en twijfel overwinnen en ze vragen zich regelmatig af of de grote banken nou echt niet doorhebben hoe wankel de hypotheekmarkt is, of – andere optie – de banken hen in de maling nemen. Ze kunnen niet geloven hoe dom de banken zijn. „De markt leek te geloven in zijn eigen leugen.” Die leugen was dat grootschalige wanbetalingen op hypotheken niet waarschijnlijk waren en dat alle financiële producten gebaseerd op die (herverpakte) hypotheken veilige beleggingen waren.

De mannen die tegen het systeem gokken zijn allemaal raar, schrijft Lewis, ze verschillen alleen in de manier waarop. Ze weten weinig van de obligatiemarkt, de ingewikkelde markt waar de gekte wereldbedreigende proporties kreeg, maar hebben een vermoeden dat er iets niet klopt. Er worden te veel hypotheken gegeven aan mensen die niet kredietwaardig zijn. Ze vragen, onderzoeken, en raken overtuigd. Eisman vraagt voortdurend: kan je dat nog eens uitleggen? Say that again?

Deze film is een ode aan de uitstekende journalistiek van Lewis: een ingewikkeld verhaal vertellen aan de hand van zulke geweldige personen dat je het wel moet lezen (de regisseur las het boek in een nacht uit). Maar het is vooral een ode aan de ‘domme vraag’. Eis uitleg van bankiers en andere geldmensen, laat je niet met moeilijke termen en jargon afpoeieren. Say that again? Lewis hoopt dat de film ervoor zorgt dat het gedrag van geldmensen een zaak wordt van ons allen, en niet van specialisten. In Vanity Fair: „High finance raakt – en ruïneert – de levens van gewone mensen. Maar die gewone mensen hebben nooit een duidelijk idee hoe ze zijn bedrogen en door wie. Wall Street is als een slimme viezerik: vaak verdacht, zelden doorzien en nooit veroordeeld.” Leve de domme vraag!