‘Ik voelde me een misdadiger’

Housam (28) is een van drie Syriërs die ontkwamen aan deportatie naar Rusland door naar de kerk van Kirkenes te vluchten. De Noren helpen hen.

‘Vandaag [dinsdag] hoorden we de wildste geruchten. Dat we konden gaan waar we willen. Dat de deportaties stoppen. Maar we weten niets zeker.

In november 2013 ben ik uit Syrië vertrokken. Ik studeerde geologie in Damascus. Vulkanisme en tektonische platen, dat is mijn lievelingsonderwerp. Ik kom uit Homs, aan de kant van de grens waar president Assad de baas was. Er werd zwaar gevochten. Alle mannen tussen 18 en 52 werden voor militaire dienst opgeroepen. Daar was ik bang voor. Toen heb ik een studentenvisum aangevraagd voor Rusland om in Nizjni Novgorod te studeren. Ik ben erheen gegaan, in mijn eentje, met het vliegtuig uit Beiroet. Ik heb daar alleen een verplichte talencursus gedaan en niet veel gestudeerd. Ik versta nu goed Russisch maar spreken is nog moeilijk.

In september 2015 ben ik vertrokken naar hier. Ik kon sowieso niet in Rusland blijven omdat mijn studentenvisum in 2016 zou verlopen. Ik koos voor Noorwegen, omdat ik had gehoord dat dat een goede route was. Ik had alles voorbereid. Om acht uur ’s ochtends vloog ik uit Nizjni naar Moermansk, ik werd opgehaald met een auto. We reden tot vlak voor de grens. Daar kreeg ik een fiets en ik fietste de grens over, een paar honderd meter.

De Russen lieten ons gewoon door. Geweldig! Ik kon het bijna niet geloven, omdat ik geen Schengenvisum heb. Daarna verwelkomden de Noren ons. Om vijf uur ’s middags van dezelfde dag was ik in Noorwegen.

We moesten onze paspoorten en andere papieren inleveren en we kregen iets te eten. Eén dag logeerde ik in een hotel in Kirkenes, daarna gingen we met het vliegtuig naar Oslo. Ongeveer een maand woonde ik in een stadje niet ver van Oslo. En daarna drie maanden in Bardufoss bij Tromsø, in het noorden. Ik woonde daar in een huis met nog drie mannen, uit een ander deel van Syrië.

Om zeven uur ’s ochtends werd er aangebeld. Politie. Ze vroegen of ik die en die was, en ik voelde me een misdadiger. Toen werd ik met het vliegtuig naar het kamp bij Kirkenes gebracht. Het was heel koud, min dertig, we hadden weinig kleren en in de barakken was het ook koud. Het voelde als een concentratiekamp. De mensen daar waren onaardig. We waren bang dat niemand ooit nog van ons zou horen, dat niemand van ons bestaan zou weten. Dat duurde vijf dagen.

Op 21 januari hoorden we dat we met de bus naar Rusland zouden worden gebracht. Ik keek op de lijst en mijn naam stond bovenaan. Toen ben ik er meteen vandoor gegaan. Ik heb me door een hek gewurmd, en ik heb gerend en gerend. Op de weg heeft iemand me in zijn auto gelaten en me naar deze kerk gebracht.

Er circuleren nu allerlei berichten. De Russen willen ons niet terug. We horen dat de mensen in het kamp eerst niet en nu weer wel vrij mogen bewegen. Ze hebben ons aangeboden terug te gaan. De politie heeft gezegd dat ze hier niet zomaar zullen binnenvallen. Ik weet niet wat ik moet doen. Vooral weet ik niet of we een gesprek krijgen en of er naar onze zaak wordt gekeken of niet.

Ik ben verbannen van de universiteit in Nizjni. Een paar weken geleden kreeg ik een officiële mail van ze. Dat betekent dat mijn visum niet meer geldig is en dat ik tien dagen heb om Rusland te verlaten. Dat betekent: terug naar Syrië. Niet naar Turkije, voor Jordanië heb je een visum nodig.

In Schengen geldt het Dublin-principe [één keer asiel aanvragen en alleen in het eerste land van aankomst] dus daarheen zou ik dan niet meer terug kunnen.

Intussen spelen we pingpong, gitaar. Gisteren heb ik molokhia gekookt, vlees met groenten. Ook vlees en aardappelen, Noorse style. Ik bel met vrienden. Een Noorse vriend betaalt mijn telefoonrekening. Mijn ouders zijn in Syrië. Mijn vader wil niet vluchten. Hij heeft besloten daar te sterven.

Dit voelt als een veilige plek, geen gevangenis. Ik voel dat ik van binnen elke dag iets schoner word, de depressie verdwijnt. We zijn met zijn drieën. De vrouw van de andere man is zwanger. Ze is meteen helemaal onderzocht. Mensen helpen ons. Er is een groot verschil tussen de regering en de mensen.” (