Huizen, geen woonmachines

De Weense architect Adolf Loos staat bekend als de grote bestrijder van het ornament. Toch was hij niet tegen versieringen, zo blijkt uit een essaybundel.

Adolf Loos: ontwerp voor de redactie en drukkerij van The Chicago Tribune, 1922

Er ontstond een kleine rel toen een jaar geleden werk van de Oostenrijkse architect Adolf Loos (1870-1933) was te zien in het Museum für Angewandte Kunst (MAK) in Wenen. Daar stond toen onder meer een reconstructie van de slaapkamer die Loos in 1903 voor zijn eerste vrouw had ontworpen. Hoe was het mogelijk dat het MAK juist had gekozen voor deze maagdelijk witte ruimte waar een vloerbedekking van dikke schapenvachten tegen het ook al witte bed omhoogkroop, vroegen enkele journalisten zich af. Want in deze ‘schuldige’ kamer, één grote uitnodiging tot rollebollen, had de beroemde Weense architect in de zomer van 1928 drie meisjes van acht tot tien jaar uitgekleed en „van hun geslachtsdelen gesnoept”, zoals de kleine Marie het omschreef tijdens het proces wegens kindermisbruik tegen Loos. Omdat Loos tot de kunstzinnige elite van Wenen behoorde, kwam hij er vanaf met een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. De zaak-Loos werd al gauw vergeten, tot de historicus Andreas Weigel zich in 2008 op het procesverslag stortte.

Met de zaak-Loos in gedachten lees je Loos’ artikel ‘Damesmode’ uit 1898 in de bundel Architectuur en al het andere met andere ogen. In dit essay stelt Loos vast dat de toenmalige vrouwen steeds jonger wilden lijken. Ook in het algemeen kreeg „het ontluikende de voorkeur boven het ontlokene”, schrijft hij: „Om met het kind de strijd aan te binden verdween al wat vrouwelijk was uit de kleding van de vrouw. Ze verdoezelde haar heupen, en haar krachtige vormen, vroeger nog haar trots, werden haar tot last.”

‘Damesmode’ is een van de vijftig artikelen die Loos tussen 1907 en 1930 schreef voor Oostenrijkse tijdschriften en kranten als de Neue Freie Presse en die nu, voor het eerst, in het Nederlands zijn vertaald en gebundeld in Architectuur en al het andere. Eindelijk kunnen ook degenen die het Duits niet machtig zijn, vaststellen dat Loos een van de weinige architecten was (en is) die goed kunnen schrijven.

Loos schreef veel minder dan bijvoorbeeld de 17 jaar jongere Le Corbusier (die zo’n zestig boeken publiceerde), maar wel beter. Veel beter zelfs. Want terwijl Le Corbusiers boeken door het bloemrijke, geëxalteerde proza vrijwel onleesbaar zijn, schreef Loos zijn artikelen, waarin hij scherpe observaties afwisselt met ironische en geestige opmerkingen, in een onopgesmukte, precieze stijl.

In de artikelen in Architectuur en al het andere schrijft Loos, die nog altijd wordt beschouwd als een van de pioniers van de modernistische architectuur, weinig over architectuur en veel over schoenen, kleding, eten, baden en heel veel andere dingen. In ‘Over nazouten’ buigt hij zich zelfs over zoiets nietigs als een zoutvaatje. „Als een kleine paddenstoel staat hij dienstvaardig op tafel. Ik hoop stiekem dat het eten, in tegenstelling tot voorheen, te weinig gezouten is zodat ik een beroep kan doen op mijn kleine dienaar.”

Maar of Loos nu schrijft over stoelen, luxerijtuigen, herenhoeden of ontbijten, steeds stelt hij zijn Oostenrijkse lezers Engeland ten voorbeeld en vooral Amerika, het land waar hij van 1893 tot 1896 verbleef. In deze landen is de zakelijke cultuur die hoort bij het industriële tijdperk al verder voortgeschreden dan in Oostenrijk en zelfs Duitsland, betoogt hij steeds weer. In de VS hebben gebruiksvoorwerpen dan ook veel minder ornamenten dan die van bijvoorbeeld Weense Sezessionsvormgevers als Josef Hoffmann en Koloman Moser, stelt hij vast.

Moralisme

Uiteraard is ook Loos’ beroemd-beruchte frontale aanval op het ornament, ‘Ornament und Verbrechen’, in de bundel opgenomen. In deze lezing uit 1908, die grote invloed zou hebben op de opvattingen van modernisten als Le Corbusier, brengt hij twee bezwaren naar voren tegen versieringen. Het eerste is economisch: ornamenten zijn een verkwisting van geld en arbeid. Het tweede is moreel van aard: „De Papoea tatoeëert zijn huid, zijn boot, zijn peddel, kortom alles binnen handbereik. Hij is geen misdadiger. De moderne mens die zich tatoeëert is een misdadiger of een gedegenereerde. In sommige gevangenissen heeft 80 procent van de gedetineerden een tatoeage. De getatoeëerden die niet in het gevang zitten, zijn latente misdadigers of gedegenereerde aristocraten.”

Vooral het tweede, morele argument sloeg aan onder twintigste-eeuwse architecten. Door het ornament in de ban te doen, konden modernistische architecten zich „de voorhoede van de mensheid” voelen, zoals Loos het omschreef, of ‘een aristocraat’ die cultureel ver verheven was boven de „Kaffers, Indianen en Slowaakse boerinnen”, die alles versierden wat ze onder handen kregen.

Zuilenordes

Toch schreef Loos in 1923 in ‘Ornament en Onderwijs’, dat de ‘puristen’ – met wie hij ongetwijfeld Le Corbusier bedoelde – hem verkeerd hadden begrepen toen hij schreef dat het ornament iets voor latente misdadigers was. Het ging hem alleen om ornamenten op gebruiksvoorwerpen, legde hij uit. Bovendien vond hij beslist niet „dat het ornament stelselmatig en consequent afgeschaft moest worden”. Verderop in het artikel schrijft hij dan ook „dat het klassieke ornament behouden moet blijven” en dat architecten „zich ook moeten bezighouden met de zuilenordes en profielen”.

Nu had Loos het grote misverstand dat het ornament een misdaad was wel een beetje aan zichzelf te wijten. Zo geeft hij in ‘Ornament und Verbrechen’ bijvoorbeeld onversierde, gladde gevels zelfs een religieus tintje als hij schrijft: „Spoedig zullen de straten van onze steden stralen als witte muren! Als Zion, de heilige stad, de hoofdstad van de hemel. Dan is de vervulling gekomen.” En de façades van zijn villa’s in Wenen en Praag, zoals Haus Scheu en Haus Müller, zijn niet meer dan strakke, gepleisterde vlakken met gaten erin.

Maar de interieurs van Loos’ huizen zijn beslist geen kale woonmachines. Een huis moet in de eerste plaats behaaglijk zijn, schrijft Loos verschillende keren in Architectuur en al het andere. De interieurs in zijn huizen hebben dan ook houten lambriseringen, Perzische tapijten op de houten parketvloeren en bij de gezellige open haarden staan geen zakelijke stalenbuizenmeubels, maar klassieke fauteuils.

Het ontwerp waarmee Loos in 1922 meedeed aan de prijsvraag voor een nieuw hoofdkantoor van het dagblad The Chicago Tribune is zelfs één groot ornament. Loos stelde een wolkenkrabber voor die bestond uit een gigantische Dorische zuil van graniet bovenop een getrapte onderbouw. Architectuurhistorici die in Loos een van de vaders van het modernisme zien, hebben zich nooit goed raad geweten met dit niet uitgevoerde ontwerp. Sommige beschouwden het als een dadaïstische grap, andere als een cynisch commentaar op de banale wensen van de opdrachtgever: „U wilt iets klassieks? Welnu, dan krijgt u ook iets klassieks!”

Maar in ‘The Chicago Tribune Column’ schrijft Loos dat hij slechts een bij een krantenbedrijf passend gebouw heeft ontworpen, een „monument dat voor altijd zal samenvallen met het begrip van de stad Chicago, zoals de koepel van de Sint-Pieter met Rome en de scheve toren met Pisa”. En dat kon het beste door iets door en door klassieks te maken. Want, zo schrijft hij: „Ach, al die vormen zonder traditie worden maar al te snel door het nieuwe ingehaald en de eigenaar beseft algauw dat zijn huis uit de tijd is, omdat deze vormen net zo vaak wisselen als die van een dameshoed.” Loos was, zo blijkt uit Architectuur en al het andere, de heraut van het modernisme die van binnen, diep in zijn hart, een klassieke traditionalist was gebleven.