Hoezo halfbloed? Ik ben dubbelbloed

Neske Beks heeft ‘dubbelbloed’. Toch weet ze meer over haar witte Europese geschiedenis dan over het zwarte Afrikaanse deel van haar identiteit. Wit zijn is een voorrecht waarvan je niet eens beseft hoeveel voordeel het je oplevert, schrijft ze.

foto henk wildschut

Ik vertel een vriend dat ik schrijf over white privilege. „Wat is dat?”, vraagt hij. Misschien denkt u nu hetzelfde. Dan bent u hoogstwaarschijnlijk wit. Ik ben Neske Beks: vrouw, zwart, Vlaams, dubbelbloed en dus bij geboorte lid van meerdere minderheidsgroepen.

Ja, ik heb een mening over white privilege.

Nee, ik laat me daar niet vaak over uit.

Lees ook: Witte mensen moeten eens luisteren

Al zeker niet in Holland, waar over dit onderwerp een oorlog woedt. ‘Bij ons in België’ – ik zeg het nog steeds na 25 jaar domicilie in Nederland – kraaien de hanen minder hard als het over racisme gaat, dus ‘bij ons’ durf ik het aan.

Niemand wordt graag racist genoemd. Wel lieve mensen, wake up to reality: we zíjn het allemaal. Zelfs mijn bloedeigen – bruine – moeder kraamt in mijn film Eigen volk de grootste racistische onzin uit, zichzelf op de borst kloppend: „Nee, ik ben geen racist!” Ikzelf ben bij het naderen van een groepje allochtone jongeren ook eens de straat overgestoken. Schaamte en zelfkastijding waren naderhand mijn deel, maar ik was me voor altijd bewust van mijn eigen vooroordelen.

Racisme leeft in ons allemaal en is gestoeld op angst, onwetendheid, onbewuste drijfveren, beeldvorming door de media én een voorliefde voor het aanschouwen van het eigen spiegelbeeld.

Ik ben geboren Belg – met een Gambiaans-Senegalese vader en een Vlaamse Afro-Amerikaanse moeder – en getogen in een wit socialistisch pleeggezin, dat door mijn komst in aanraking kwam met zwarte mensen en aanverwanten. Halfweg de jaren tachtig maakte mijn pleegvader de overstap naar het Vlaams Blok. Gaandeweg ging tweederde van de familie overstag. Ja, dat genereert een deuk in je blazoen, maar mijn liefde voor hen bleef groot en – gelukkig – wederkerig.

Ik steiger als men ze racisten noemt.

In mij leeft een grote loyaliteit aan mijn familie en mijn land. Anderzijds kreeg ik met de jaren steeds meer behoefte om het beestje bij de naam te noemen. Het thema sijpelt door in zowel mijn fictieve - als mijn documentaire werk.

Taal is een communicatieve leidraad waarmee we niet precies genoeg kunnen omgaan. Dat de daders in Keulen als Noord-Afrikaans werden beschreven, terwijl ze van Syrische origine blijken te zijn, is pijnlijk. Wat is de oorzaak? Beperkte woordenschat? Beperkte blik?

Het is wrang, maar bij misdrijven die witte mensen begaan, wordt nooit gespecificeerd dat het een persoon met Noord-Europees of Kaukasisch uiterlijk betreft. Daar sta je als witte mens niet bij stil, weet ik. Dat is dus precies waar white privilege om gaat.

Hardleerse types stellen white privilege weleens gelijk met positieve discriminatie, waarbij en passant vergeten wordt dat positieve discriminatie van toepassing is op minderheidsgroepen.

De witte vriend met wie ik in gesprek ben, blijft hardnekkig ontkennen dat er zoiets als white privilege bestaat. Hij werpt op dat hij soms wordt gediscrimineerd vanwege zijn lange haar. „Lang haar is een keuze”, zeg ik. „Afkomst of huidskleur niet. Wit én man zijn is een dubbel voorrecht waarvan jij je kunt permitteren er nooit bij stil te staan hoeveel voordeel het je oplevert.” „Huidskleur maakt voor mij niet uit”, reageert hij vol ergernis. „Ik ben kleurenblind. Zeg nu zelf Nes, wij zijn toch al jaren vrienden.”

Ik weet dat kleur hem niets uitmaakt, maar hoe leg ik hem uit dat dit niet voor iedereen geldt? Als hij beledigd doorblaat over ‘gelijkheid’ en ‘hetzelfde’ zijn, vertel ik hem dat ik er voor de lieve vrede vaak voor kies om geen issue te maken van woorden als negerin, halfbloedje, mulat, métis en chocolatteke, die hij geregeld gebruikt. „Juist omdat ik weet dat je het niet racistisch bedoelt. Wat niet betekent dat ze niet racistisch zijn.”

Voor het eerst vertel ik mijn maatje dat die achteloos gebruikte woorden me telkens toch kwetsen. Waarop hij honend zijn – enige - andere zwarte vriend belt: „Mag ik het woord zwart dan nog wel gebruiken?” „Zelf gebruik ik liever zwart en wit dan zwart en blank, maar ik weet dat de gevoeligheid bij iedere zwarte anders ligt.” Hij hoort me niet. „Awel, die andere ‘neger’ vindt het niet erg om neger genoemd te worden, sterker nog: hij is er zelfs trots op.”

Ik geef het op. De blinde vlek is groter dan ik dacht.

Het is menselijk dat we ons graag omringen met personen die ons spiegelen. Mensen die op ons lijken in leven, doen en laten. Als we discussiëren, doen we dat ook het liefst op ons eigen intellectuele niveau. En als het even kan vanuit een collectief cultureel perspectief, toch? Dat is bij ons dus vaker wit. Ja, ‘ons’ zeg ik met nadruk, want mijn hele zijn en wezen is met wit, westers canon doorregen. In een overwegend witte maatschappij levert me dat zeker ook veel voordeel op.

Hoe vaak hoorde ik tijdens mijn jeugd in Antwerpen niet dat ik in de omgang niet anders was dan een ‘gewone’ witte Belg? Gek genoeg vroeg niemand of ik mezelf anders voelde, laat staan of ik me anders behandeld voelde. Hoe vaak is me niet goedbedoelend verteld dat ik een ‘van ons’ was? En dat het dat andere volk was dat zich niet aanpaste, dat overlast bezorgde. Welk ander volk? Dat ander volk ben ik.

Tegenwoordig zeg ik thank you ma’am als ik een compliment krijg over hoe geïntegreerd ik ben, want me aanpassen leerde ik zo goed dat ik pas na therapie mezelf durfde zijn. Wat dat ‘zelf’ inhield, dat was even zoeken voor een jonge vrouw die in de levensbeschouwelijke lessen vooral één kant van haar afkomst belicht zag. Vaardig genoeg om te vinden wat ik zocht, nam ik het lot van mijn eigenwaarde in handen. Toen ik als twintigjarige in de ban raakte van Malcolm X, The Black Panther Party, Mumia Abu-Jamal en Louis Farrakhan dreigde er even militant gedrag. Gelukkig bleek ik loyaal aan de twee stromen bloed die door mijn aderen razen: wit en zwart.

Ik maak me geen illusies. Niet iedereen gaat zelf op zoek naar intellectuele voeding. Juist daarin kan onderwijs – of die ene docent(e) – zo essentieel zijn. Doch, wie we zijn en worden, blijft grotendeels bepaald door de loyaliteit en solidariteit die we voelen voor onze (voor)ouders. Daarin liggen ons fundament en onze kernwaarden. Natuurlijk is er her en der een ‘uitverkorene’ die zich totaal los weet te maken, maar vaak krijgt die ‘bevrijde’ op zijn of haar beurt een nageslacht dat zich (on)bewust verbindt met de kernwaarden van de eerdere generaties.

Zowel zelfvertrouwen als trauma werkt generaties lang door en speelt een grote rol als het aankomt op spreken of zwijgen, in het verweer komen tegen onrecht of het machteloos ondergaan. Ook de geforceerde manier waarop Duitsland communiceert over de afkomst van de daders in Keulen, kan ik niet los zien van het oorlogstrauma en het schuldgevoel over de Tweede Wereldoorlog die het als natie op de schouders draagt.

De groep waarbij je hoort of denkt bij te horen, definieert wat goed is en wat kwaad. Voor mij als dubbelbloed betekent het dat mijn loyaliteit uitgaat naar zwart én wit. Ik ben een kind van zowel onderdrukten als onderdrukkers. Van slaven en slavenhandelaren. Van moslims en indianen. Van ongelovigen en katholieken.

Al te vaak voel ik mijn loyaliteit aan de zwarte community stevig botsen met mijn loyaliteit aan de witte community, maar die wrijving maakt me ook juist bewuster van de tegengestelde belangen die in mij leven.

Enerzijds de oer-Vlaamse familie die de ene na de andere dochter naar het klooster zond en de in mijn moeders gelaat zichtbare indiaanse roots, aan de andere kant achterkleinkind van een Afrikaanse medicijnvrouw en een Koranleraar.

Ik prijs me tegenwoordig gelukkig met die rijke bagage. Begrijp me goed, ook ik omarm witte cultuur: ze bepaalt minstens de helft van mijn doen, laten en zijn. Maar soms komt dat hele witte perspectief en vernauwde wereldbeeld van ons, en bovenal die blinde vlek die ermee samenhangt, me waarlijk de strot uit.

Een gesprek zoals het gesprek met die witte vriend heb ik bijna elke dag. Vaak vermoeit het me en mijd ik de discussie. Steeds weer blijkt het moeilijk om witte mannen bewust te maken van het feit dat de wereld voor hen toch net iets soepeler draait dan voor alle anderen die onder hen op de hiërarchische ladder staan. De woorden die mijn vriend in zijn vermoorde onschuld dagelijks gebruikt, zijn één voor één geworteld in een collectief racistisch kolonialistisch en/of slavernijverleden. En dat verleden blijft bepalend voor ons heden.

Wat die collectieve geschiedenis betreft: die zwarte bladzijden worden liever doodgezwegen. Door goed op te letten in de geschiedenisles weet ik meer over witte Europese geschiedenis dan over het zwarte Afrikaanse deel van mijn identiteit. Als jonge, zwarte schoolgaande vrouw was het me een doorn in het oog: het ging zelden over helden noch over despoten die mijn hele afkomst spiegelden.

Sterker nog: mensen met mijn huidskleur worden veelal gerepresenteerd als slachtoffers van armoede, daders van geweld en heel af en toe – oef – als sporthelden en popidolen.

Het curriculum houdt op bij Ghandi, Martin Luther King en Nelson Mandela. Van de hele zwarte avantgarde van schrijvers, denkers, bewegingen en kunstenaars als James Baldwin, Patrice Lumumba, Toni Morrison, Maya Angelou en Ntozake Shange, geen spoor. Zelfs de koloniale zwarte bladzijden van België en Nederland ontbraken.

Waarom is er geen oog voor dit ‘zwarte gat’ in de algemene ontwikkeling van zoveel niet-witte studenten? Terwijl kennis van de eigen geschiedenis zo belangrijk wordt geacht voor de basis, de eigen identiteit? Waarom leren we in deze verander(en)de samenleving zo weinig over elkaars culturen? Over de overlap daarbinnen én over het verschil?

Bewustzijn en kennis zijn de sleutels. Tot jezelf én de ander.

Aan mijn eigen keukentafel doe ik er echter ook vermoeid het zwijgen toe. Moet ik mijn vriend nu gaan uitleggen dat volgens Van Dale een halfbloed een afstammeling is van een blanke en een niet-blanke? Dat het woord is ontstaan in tijden van kolonialisme en slavernij, en dat wel duidelijk is wie er zogenaamd bloed had en wie niet? Dat ik, toen ik begreep wat de betekenis van het woord was – op mijn twintigste pas, mezelf dubbelbloed ging noemen?

En nee, neger gebruik ik nooit. Ook niet als geuzennaam. Ik zeg wit en niet blank. Bewust. Vanwege de betekenis die Van Dale de woorden toekent. Semantiek is mijn stokpaardje, maar ik geef het op. Ik trek twee pintjes open en probeer het gesprek over een boeg te gooien die ‘minder naar racisme neigt’.

„Maar weet je Neske, moedermelk is altijd wit”, zegt hij triomfantelijk, „bij witte én bij zwarte mensen.” Ik herken zijn argument als een variatie op ‘we hebben allemaal hetzelfde bloed en dat is rood’.

Een dooddoener die niet misstaat op een tegeltje, in de wc.