En dan begint het

Pepijn Lanen

Ik heb drie kopjes thee gedronken in de green room. Kamillethee, geen groene, want dan word ik edgy en kan ik niet slapen straks. De green room is een soort wisselwachtkamer aan de achterkant van een televisiestudio. Vanavond zwaait Eva’tje Jinek de scepter en mag ik aanschuiven om mijn nieuwe roman Naamloos aan de man te brengen. Gelukkig gaat het ook nog over het Midden-Oosten, transgenders en voetbal.

Mijn gedachten schieten heen en weer tussen dat ik heel erg nodig moet plassen en minder thee had moeten drinken en dat ik niet moet vergeten te denken aan de duizend kleine dingetjes die ik niet moet vergeten. Tussendoor realiseer ik me dat de wereld op de afgrond balanceert en dat iedereen elkaar haat. Dan krijg ik het woord en fiets ik na wat heen en weer geklets nog snel wat promo erin. Mijn manager en de mensen van de uitgeverij zijn tevreden, ik ga even op de foto met een jongen die de lotto net niet won en dan zit ik in een ruime Mercedes naar huis.

De chauffeur vertelt dat hij ook graag eens naar Amerika zou willen maar dat zijn vrouw niet durft te vliegen en hij eigenlijk ook niet, maar daar gelukkig niet voor uit hoeft te komen omdat zij het al niet durft. Ik vraag me af of ik bang ben om te vliegen. Ik twijfel tussen ja en nee.

Als ik thuiskom begint de strijd met de koffer. Het is meer dan het laten passen van de gewenste inhoud in de afmetingen van de realiteit. Het zijn ook bepaalde wensen en dromen of angsten, uitgedrukt in kledingstukken en objecten. Een lichte jas betekent bijvoorbeeld: Ik hoop dat het lekker weer wordt en niet stervenskoud. Te veel winterspullen mee is misschien weer de weergoden verzoeken. Dat ze ofwel zoiets hebben van: ‘Oh, jij wil winter? Hier heb je winter!’ en dat het dan meters gaat sneeuwen en mensen doodvriezen en ik dat dan op mijn geweten heb, ofwel zoiets van: ‘Oh jij wil winter? Hier! Indian Summer in januari en februari voor je! Lekker doodzweten in al je wol en die malle weerbestendige superjassen van je.’

Neem ik pennen en notitieboekjes mee, ben ik bang dat ik misschien wel geen woord op papier krijg. Laat ik ze thuis, ben ik weer de persoon die het niet eens wil proberen.

De televisie herhaalt Jinek en ik zie mezelf met de striem in mijn gezicht van het springtouw dat ik ontving op de sportschool en die ik zelf alweer helemaal vergeten was omdat ik mijn eigen gezicht nooit zie. Coco zit op een koffer zodat de twee helften goed op elkaar kunnen en ik rits hem dicht. Dan gaan we maar in bed liggen om te staren naar het plafond. De baby slaapt tussen ons in als een baby.

Drie of vier uur later schrik ik wakker van de wekker. Toch de slaap kunnen vatten blijkbaar. Als de auto voor komt rijden, trek ik de rits kapot van de nieuw gekochte tas. Er is paniek, maar de taxi-chauffeur tovert ergens een rol zwarte tape vandaan en all is well.

Ik word eruit gepikt

Op het vliegveld zijn ouders en grootouders en vrienden en meisjes-vrienden die moeten huilen. De koffers verdwijnen de bagagebalie in en al snel zitten we op die bankjes te wachten voor we het vliegtuig in kunnen en flirt onze zoon de hele boel bij elkaar. Ik word er uitgepikt voor extra controle en streng toegesproken terwijl er iemand met wat er uitziet als een eenvoudig wit stukje papier maar waarschijnlijk verboden stoffen moet detecteren over mijn spullen en lichaam gaat. De man zwaait wel nog even lachend naar mijn baby van achter het tussenschot. Als blijkt dat ik niks te verbergen heb, mogen we het vliegtuig inschuiven.

Mijn vrouw, mijn zoontje en ik zijn alle drie doodmoe, maar een van ons, ik zeg niet wie, weigert pertinent om er aan toe te geven. Snap ik wel. Het bedje wat de vliegtuigmaatschappij faciliteert voor diegene (ik zeg nog steeds niet wie, uit privacy overwegingen) heeft de vorm van een baby-doodskist, compleet met gebroken geel klittenband-deksel en bevestigings-clips in zwart plastic. Een stewardess zegt dat mijn gezicht haar bekend voorkomt en vraagt of ik wel eens vaker met haar gevlogen heb. Ik zeg dat ze me wellicht gister op televisie heeft gezien en daar laten we het gesprek verder maar bij. Ik heb nog nooit een poepluier verschoond in een vliegtuig-toilet met turbulentie. Tot op dit moment. Ik heb minstens vier handen nodig om te zorgen dat de baby niet op de vloer belandt en er overal poep terecht komt. Uiteindelijk lukt het toch met twee.

How long have you been married?” vraagt de douane-ambtenaar nadat mijn vrouw mij heeft aangeduid als ‘my husband’.

Since March!” zeggen we tegelijkertijd terwijl we elkaar een verschrikte en hopelijk heimelijke blik toeschieten. Is dit een test? Zijn we eigenlijk wel getrouwd? Is 1 en 1 wel 2?

Congratulations! What a cute baby. Welcome to the USA!” zegt de douane-ambtenaar.

En dan begint het allemaal.