‘Een beetje schoppen en slaan enzo, dat kan wel bij een vriend’

Eveline Crone

Het gebeurt nog niet zo vaak, maar het zou weleens een trend kunnen worden: onderzoekers die een film (laten) maken om het grote publiek te laten zien wat hun onderzoek inhoudt. Toen Eveline Crone, hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie te Leiden, vijf jaar geleden aan een groot nieuw onderzoeksproject begon, zocht ze freelance filmmaker Erik Heuvelink op. Ze kende hem al, hij had weleens een kort promotiefilmpje over haar gemaakt voor een wetenschapsavond. En ja, hij had best zin om haar nieuwe onderzoek vanaf het begin te filmen.

Crone ging met een grote Europese subsidie (anderhalf miljoen euro van de European Research Council) 300 jongeren in de leeftijd van 10 tot 22 jaar een paar jaar volgen en hun hersens drie keer scannen. Ze wilde weten hoe het kan dat jongeren in die leeftijd aan de ene kant steeds beter kunnen plannen en organiseren, dat ze leren vrienden te maken en te houden, terwijl ze aan de andere kant ook geneigd zijn om steeds meer domme, roekeloze dingen te doen. Wat gebeurt er dan in de hersenen?

Inmiddels zijn er een paar wetenschappelijk artikelen over het project geaccepteerd (in Developmental Cognitive Neuroscience en The Journal of Neuroscience). Maar de meeste ouders, pubers en leraren zullen liever naar de minidocumentaire Braintime kijken dan die artikelen te lezen. De film (betaald met Europees geld en geld van De Jonge Akademie van de KNAW) duurt een half uurtje en dan ben je redelijk bijgepraat over het soort onderzoek dat Crone en drie van haar promovendi doen.

Je leert dat het beloningscentrum in de hersenen op zijn gevoeligst is tijdens de adolescentie, vooral bij jongeren met hoge testosteronniveaus in hun speeksel. De prefontale cortex (waar, kort gezegd, de controle zetelt) hobbelt daar een beetje achteraan, „als bij een auto waarvan de motor al wel goed werkt, maar de remmen en het stuur nog niet zo goed”, zegt promovenda Barbara Braams. Hoe slechter de verbinding tussen belonings- en controlecentrum, hoe meer alcohol jongeren drinken (dat is één type dom, roekeloos gedrag). De activiteit in de ‘controle’-gebieden voorspelt sterk hoe goed de jongeren twee jaar later in lezen en rekenen zijn. En ook de emotionele gevoeligheid van jongeren voor elkaar, de intense vriendschappen die pubers hebben, is in beeld gebracht. De puberteit is een periode, zegt Crone, waarin de hersenen als het ware gereset worden. Dat is voor het eerst zo grootschalig met hersenscans onderzocht.

Een half uur is kort, en soms formuleren de onderzoekers net niet helemaal duidelijk, maar wie meer wil weten kan altijd nog bij die artikelen terecht. In elk geval is goed te zien hoe dit type onderzoek in zijn werk gaat en wat de onderzoekers zoal doen.

Maar de échte helden van de film zijn de jongeren zelf, die steeds tussendoor geïnterviewd worden, over zichzelf en over het onderzoek. Het zijn jongeren van verschillende leeftijden, en sommige van hen zijn ook een paar keer gefilmd, op verschillende leeftijden. Dit zegt Dimitri op zijn 11de over vriendschap: „Een beetje schoppen en slaan enzo, dat vind ik wel dat dat kan bij een vriend, maar je moet elkaar niet belachelijk maken.” Joren van 15 vertelt lachend hoe hij vroeger met zijn vrienden eieren tegen huizen ging gooien; inmiddels vindt hij een vriend iemand „die je dag en nacht kan bellen, en dat hij dan voor je klaarstaat”. En Anouk van 17 verzucht: „Mijn vriendinnen zijn mijn alles, eigenlijk.” Het is ontroerend om die kinderen in de film te zien veranderen – dan gaat het nóg sneller dan in het echt.