Dit weer is nu wel normaal

Weermannen en -vrouwen praten steeds over ‘normale’ temperaturen. Dat is achterhaald door de opwarming van de aarde, vindt Herbert Blankesteijn. Hij pleit voor een nieuw normaal.

Deze foto werd op maandag 25 januari 2016 genomen in het Brabantse Geldrop. Dit was de warmste januaridag die ooit werd gemeten. In De Bilt was het 's middags 13,6 graden, 0,3 graad hoger dan de vorige recordtemperatuur in 1990. In het zuiden van het land kwam de temperatuur zelfs boeven de 16 graden. Foto ANP

Gehoord tijdens de recente korte koudegolf: „Nog een paar koude nachten, daarna krijgen we weer gewoon temperaturen boven normaal”. Temperaturen boven de normale waarden zijn normaal geworden. Dat roept de vraag op wat je nog ‘normaal voor de tijd van het jaar’ moet noemen.

Wat op dit moment wordt gepresenteerd als een normale maximumdagtemperatuur voor een bepaalde maand is het gemiddelde voor die maand over de periode 1980-2010. Er wordt pas een nieuwe ‘normale temperatuur’ berekend in 2020. Dus in 2019 schermt het KNMI nog steeds met dezelfde ‘normale’ waarden als nu, waarin dan de laatste negen jaar niet zijn verwerkt. De meeste van die negen jaren zullen warmer zijn geweest dan de jaren die meetellen in de ‘normale’ temperatuur.

Wat zou er gebeuren als je niet eens in de tien jaar een normale temperatuur zou uitrekenen maar elk jaar? Het KNMI heeft de meetgegevens online beschikbaar: bijvoorbeeld voor elke maand vanaf januari 1901 het gemiddelde van de dagmaxima in De Bilt.

Laten we eerst kijken naar de gemiddelde jaartemperatuur. Als je die voor De Bilt neemt en je middelt voor elk jaar de 30 jaar daarvóór, dan zie je vanaf 1930 een op het oog willekeurig verloop, tot 1980. Vanaf dat jaar beginnen de waarden onstuitbaar te stijgen. De periode 1952-1981 is dus al warmer dan de periode 1951-1980, en zo door tot en met de periode 1986-2015. De opwarming is dus ruim vóór 1980 begonnen. Het verschil tussen wat voor De Bilt normaal zou heten in 1980 en in 2015 is 1,2 graden – een straatlengte in klimatologische termen.

We berekenden voor elke maand vanaf januari 1930 het gemiddelde over de voorafgaande 30 jaar. Ook die gemiddelden zetten vanaf circa 1980 een stijging in – in 35 jaar tijd is normaal voor elke maand een dikke graad warmer geworden. Daarmee is aangetoond wat iedereen op zijn klompen aanvoelt: wat het weerbericht normaal noemt is allang niet meer normaal. De werkelijke dagmaxima liggen vaker boven die waarde dan eronder.

Als de temperaturen structureel stijgen, is een gemiddelde van 35 tot 5 jaar geleden geen maatstaf. Wat het publiek verwacht te horen is niet een normale temperatuur die gewoon niet klopt maar een schatting van wat je nú, normaal gesproken, zou mogen verwachten. Hoe kun je daar een redelijk idee van krijgen?

Wat zou helpen is niet middelen over 30 jaar maar over 15 jaar. De relatief koele jaren aan het begin van de reeks tellen dan niet meer mee. Het resultaat is onmiddellijk een scherper beeld. De opwarming begint al eind jaren 60 en het verschil tussen het begin van de opwarming en nu is maar liefst 1,7 graden.

Nieuwjaarsdag 2016

Het geeft een nog betere indruk als het KNMI de normale temperatuur niet tien jaar lang zou laten verouderen maar elke vijf jaar aanpast. De uitwerking van die twee maatregelen – dus een gemiddelde over de 15 jaar tot en met 2015 in plaats van de 30 jaar tot en met 2010 – hebben we voor elke kalendermaand berekend. Dat leverde voor iedere maand een hogere normale maximumtemperatuur op. Het grootste effect was er voor de maand april. Daar scheelde het 1,3 graden. Gemiddeld was het effect een halve graad.

En het kan nog beter. Alle klimaatmodellen voorspellen verdere opwarming. Daarom is het nog steeds een onderschatting als je alleen jaren uit het verleden meerekent. Hoe kun je een redelijke toekomstverwachting betrekken bij wat je het publiek voorspiegelt als normale maximumtemperatuur? Het eenvoudigste is: eenzelfde mate van opwarming veronderstellen voor de komende 15 jaar. Gezien het bovenstaande (1,2 graden in 30 jaar bijvoorbeeld) is een halve graad in 15 jaar vrij conservatief. Meer rekenwerk levert dan op dat dit nog een kwart graad toevoegt aan de nieuwe normale temperatuur.

Kortom, de beste schatting voor de te verwachten temperatuur van nu is het cijfer van het KNMI plus driekwart graad. Ook dat scheelt een slok op een klimatologische borrel. De temperatuur die de tv-journaals normaal noemen, wordt afgerond op hele graden, dus op de meeste dagen zou je daar een graad bij moeten optellen.

Neem bijvoorbeeld Nieuwjaarsdag 2016. De maximumtemperatuur in De Bilt was die dag 7,5 graden. Normaal volgens het KNMI was 5,3 graden; dat zou in het weerbericht afgerond zijn op 5. De nieuwe schatting zou zijn uitgekomen op een te verwachten temperatuur van 6 graden. Om er op nog een andere manier naar te kijken: als de opwarming ruim een graad bedraagt in 30 jaar, noemt het KNMI dus een normale temperatuur van 20 à 25 jaar geleden. Dat is eigenlijk schokkend.

Wat we gewend zijn

Klimatoloog Rob Sluijter van het KNMI zegt in een reactie: „Vaker een normaal uitrekenen doen we al. Voorheen rekenden we eens in de 30 jaar een normaal uit, nu eens in de 10 jaar. Door afspraken in de World Meteorological Organization en de verwevenheid met allerlei meteorologische cijfers is dat niet zomaar weer te veranderen. Bovendien, het heet wel normaal, maar zo is het niet bedoeld. Het is een langjarig gemiddelde berekend over 30 jaar en dat wordt door de Engelsen the normal genoemd. Dat betekent niet ‘normaal’, maar dat woord is kortheidshalve wel de vertaling geworden.” Sluijter ziet als functie van dit getal dat het mensen vertelt wat we tot dusver gewend waren en niet zozeer wat we op dit moment zouden moeten verwachten.

Maar de weermannen en -vrouwen hebben het wel degelijk over normaal voor de tijd van het jaar en dat is het dus niet. Als ze hun cijfers niet aanpassen, kunnen ze wel hun bewoordingen beter kiezen. Bijvoorbeeld door te zeggen: „De temperatuur die je in deze tijd van het jaar mag verwachten is ....” Het begrip normale temperatuur was bruikbaar in het verleden, toen de temperaturen willekeurig op en neer gingen. In een tijd van voortdurende opwarming heb je er niet veel meer aan.