De slag om Caesars slachtpartij

Hakte Caesar inderdaad in Nederland twee Germaanse stammen in de pan? Dat is de inzet van een ‘Historikerstreit’, waarin critici zelf ook kritiek krijgen.

Foto VU

Eerst waren er begin december de opwinding en de publiciteit. „Het is voor het eerst dat de aanwezigheid van Caesar en zijn troepen op Nederlands grondgebied expliciet is aangetoond”, meldde de Vrije Universiteit. In het tv-programma DWDD en in alle landelijke kranten mocht hoogleraar archeologie Nico Roymans (Vrije Universiteit) vertellen dat hij bij Kessel de plek had gevonden waar Caesar in 55 voor Christus twee Germaanse stammen had afgeslacht.

Inmiddels is er ook kritiek van wetenschappers. Verschillende archeologen zeggen dat Roymans, algemeen gezien als een archeoloog die eerder baanbrekend en inspirerend onderzoek heeft gedaan, veel te stellig is geweest. „Hij wil erg graag dat dit de plek is en redeneert naar zijn conclusie toe,” stelt zelfstandig archeoloog Wouter Vos. „Uit de data pikt hij alleen wat hem uitkomt,” vindt Ab Waasdorp, Romeins archeoloog bij de archeologische dienst van Den Haag. „Uit zijn betoog is te veel weggelaten om met stelligheid te kunnen zeggen dat Kessel de plek is,” zegt archeologisch publicist Evert van Ginkel.

Volgens het drietal, en andere archeologen die met een openbare reactie wachten tot er een wetenschappelijke publicatie is, is Roymans’ conclusie op zijn best een mogelijkheid en een interessante proefballon – van overtuigend bewijs is zeker geen sprake. Daarmee gaat de zaak ook om de vraag: wanneer is in de archeologie wel overtuigend bewijs geleverd?

Roymans’ conclusie steunt op drie pijlers: een passage van Caesar in De Bello Gallico, archeologische vondsten die bij Kessel zijn opgebaggerd en C14- en isotopenonderzoek aan daar gevonden botten. In boek IV van het boek Over de Gallische oorlog beschrijft Caesar dat hij mannen, vrouwen en kinderen van de Tencteren en Usipeten op de vlucht jaagt en bij de samenvloeiing van Maas en Rijn, ongeveer 80 mijl (120 kilometer) uit de kust, afslacht. In een rechte lijn kom je dan terecht bij Nijmegen, maar Roymans gaat uit van een weg langs de bochten van de rivier en komt dan uit bij Kessel, hemelsbreed 90 kilometer uit de kust, waar de Maas en de Waal (voorheen een loop van de oude Rijn) samenstromen.

Daar zijn in de jaren zeventig, tachtig en negentig veel archeologische vondsten opgebaggerd en door amateurs verzameld: ijzeren zwaarden, speerpunten, gordelhaken, mantelspelden en de botten van 65 individuen. De voorwerpen zijn stilistisch in de eerste eeuw voor Christus te dateren. C14-onderzoek aan de botten maakte duidelijk dat ruim de helft uit de Late IJzertijd (tweede en eerste eeuw voor Christus) stamt. Die groep bleek verder uit mannen, vrouwen en kinderen te bestaan; enkelen van hen vertoonden sporen van geweld. Verder maakte onderzoek van de strontiumisotopen in het tandglazuur van drie individuen duidelijk dat ze niet lokaal en dus niet afkomstig uit het rivierengebied waren.

Een geografisch vacuüm

De critici zeggen dat de passage van Caesar geografisch gezien niet eenduidig is. Van Ginkel: „Caesars beschrijving van de route van de Germaanse stammen en zijn opmars lijkt gedetailleerd, maar speelt zich af in een geografisch vacuüm.” Classicus Vincent Hunnink zegt dan ook in zijn vertaling van De Bello Gallico (Athenaeum 1997): „De hele passage over de rivieren is inhoudelijk en tekstueel problematisch.” Waasdorp: „Caesar was geen geografisch wonder; je kunt dus niet menen met nauwkeurige afstanden te maken te hebben.” En Van Ginkel is niet onder de indruk van de resultaten van het natuurwetenschappelijk onderzoek. „De C14-resultaten hebben een ruime marge, drie strontiumresultaten zeggen statistisch gezien niets, en ‘niet-lokaal’ is ook een zeer rekbaar begrip.”

Over de interpretatie van het op zich zeer interessante archeologisch materiaal verbaast het drietal zich nog het meest. In 2004 heeft Roymans zelf al over de vondsten geschreven. Zijn conclusie was toen dat er „fundamentele archeologische bezwaren” waren om ze in verband te brengen met Caesars slachting van de Tencteren en Usipeten. Een zo rijk vondstcomplex kon niet het product zijn van één enkele gebeurtenis, maar was het resultaat van rituele deposities gedurende een lange tijd, van de tweede eeuw voor Christus tot in de eerste eeuw na Christus. Verder sprak de combinatie van niet alleen militaria en menselijke botten, maar ook grote hoeveelheden aardewerk, bronzen potten én dierenbotten tegen een slagveld. Dat gold ook voor het feit dat sommige zwaarden in hun scheden waren gedeponeerd of met opzet waren dubbelgevouwen en dus vernietigd.

„Er kan natuurlijk sprake zijn van voortschrijdend inzicht,” zegt Vos. „Maar dan verwacht ik uitleg over hoe en waarom dat is gebeurd. Ik had gehoopt dat Roymans dat tijdens een lezing op het Romeinensymposium (18 december 2015, red.) zou doen, maar dat gebeurde niet. Nu lijkt zijn nieuwe inzicht vooral ingegeven door het feit dat hij zich bezighoudt met een nieuw onderzoeksterrein, slagveldarcheologie.”

Ook Waasdorp en Van Ginkel hebben niets gehoord dat volgens hen Roymans’ nieuwe inzicht verklaart. Waasdorp: „Nu zegt hij niets meer over de duizenden dierenbotten, van runderen, paarden en honden. Zijn oude standpunt, dat het een cultusplaats is, lijkt me nog steeds de beste interpretatie.” Van Ginkel: „Negen botten met traumata vind ik weinig voor een slachting; ze kunnen de weerslag zijn van lokale gevechten. Ook zijn er botten met verwondingsporen uit de Middeleeuwen en daar hoor ik niets over.”

Het ondenkbare nu denkbaar

Twee historici die zich met Caesar in de Lage Landen hebben beziggehouden bekritiseren juist de critici. „Ik heb problemen met archeologen die riviervondsten alsmaar als rituele deposities interpreteren,” stelt de Belgische oudhistoricus Robert Nouwen. „De verklaring van Roymans is plausibel.” Zijn Nederlandse vakgenoot Jona Lendering sluit zich bij hem aan. „Het empirische karakter van de archeologie is vaak indirect: bewijzen komen voort uit vergelijkingen met andere opgravingen. Vroeger gold: ‘Caesar in de Lage Landen? Archeologisch onbewijsbaar.’ Door recente vondsten zoals het door Caesar veroverde fort bij Thuin (in het zuiden van België, red.) is dat wat ooit ondenkbaar was, nu denkbaar geworden. Dat betekent ook dat Caesars tekst niet minimalistisch gelezen moet worden. Ondanks allerlei problemen is Roymans’ identificatie voorlopig de beste die we hebben.”

Roymans zelf is niet verbaasd over de discussie. „In Duitsland discussiëren ze al ruim dertig jaar of Kalkriese echt de plek van de Varusslag is geweest. Het echte bewijs zal ook hier niet geleverd worden, het gaat om plausibele argumenten. In een boek zal ik al mijn overwegingen uiteenzetten. Intussen gaan we verder met onderzoek. Er zijn nog meer botten gevonden en die gaan we ook dateren. Verder gaan we nog meer strontiumonderzoek doen: drie is inderdaad weinig. Als de uitkomsten aanleiding tot twijfel geven, zal ik mijn conclusie herzien. Dat heb ik wel vaker gedaan. Maar voorlopig ben ik ervan overtuigd dat de slachting bij Kessel heeft plaatsgevonden.”