Antwoord van de salafisten

Imam Suhayb Salam van de alFitrah-moskee in Utrecht reageert op de, vaak verontwaardigde, lezersreacties na een confronterend artikel van Samira Dahri, zijn vrouw. „Ik ben voor integratie, maar betekent dat dat ik per se stamppot moet eten?”

Illustratie Hajo

De salafistische imam Suhayb Salam uit Utrecht ontvangt zijn bezoek op het kantoor van de alFitrah-moskee. „Wilt u Marokkaanse thee of gewone thee?”, vraagt hij. In de hal van de moskee staan grote stapels dozen met daarin 20.000 exemplaren van het boekje De barmhartigheid van de Islaam voor de niet-moslims, die gaat hij zondag uitdelen op de open dag van de moskee.

Zaterdag 23 januari stond een artikel van zijn vrouw, Samira Dahri, in het Opiniekatern van NRC. Ze riep op tot zelfreflectie bij de autochtone Nederlander. Hoezo moeten moslims zich aanpassen? Het artikel van zijn vrouw was „confronterend”, zegt hij. Veel lezers lieten hun verontwaardiging blijken.

Lees hier het stuk van Samira Dahri: Salafisme is de oplossing tegen radicalisering

In dit vraaggesprek reageert de imam op de kritiek en wil hij de dialoog voortzetten. Op verzoek van zijn vrouw beantwoordt Salam de vragen. Als islamoloog en imam zit hij dieper in de stof. „Wat is het issue met handen schudden? Kunnen we niet samenwerken aan een betere wijk zonder dat een vrouw een man de hand schudt? Wij zitten hier nu toch ook aan tafel?”

Schrijver Sytze van der Zee nam aanstoot aan het feit dat Samira Dahri de aanslagen in Parijs ‘een incident’ noemde.

„Op het niveau van het wereldnieuws ís het ook een incident. In Syrië worden wekelijks honderden mensen afgeslacht. In Myanmar worden mensen afgeslacht. Daar wordt niet over gesproken. Je moet daar objectief naar kijken. Elke moord is er een te veel.”

Lezers zijn bang dat u hen hun vrijheden wil afnemen: vrouwen mogen niet in een kort rokje over straat, mannen mogen niet hand in hand lopen.

„We leven hier allemaal in Nederland, een vrij en democratisch land waarin we elkaar horen te accepteren. Dat doen we ook. Iedereen is vrij te zijn zoals hij wil zijn. Maar het is hypocriet de vrijheid te bepleiten en tegelijkertijd ónze vrijheid om te zijn zoals wij willen zijn te onderdrukken. Dát is ons punt.”

Verschillende lezers vielen over de onwil om handen te schudden. In het publieke domein moet religie geen rol spelen.

„Dat vinden zij. Moslims vinden iets anders. Godsdienst is niet alleen voor thuis. Het is onderdeel van jezelf, dus neem je het ook mee naar buiten. Zolang je het maar niet opdringt aan een ander. Ik zeg niet tegen jou: Jij moet voor mij bidden. Waarom zou jij tegen mij zeggen: Jij moet handen schudden. Voor mij is handen schudden met een vrouw seksuele intimidatie. U heeft daarover een andere opvatting. We leven in een democratie. Waarom niet accepteren dat wij geen handen schudden maar op een andere manier groeten? We moeten volwassen worden in deze zaken. Ik ben voor integratie, maar betekent dat dat ik per se stamppot moet eten?”

Cultuurpsycholoog Paul Voestermans trok in een ingezonden brief de conclusie dat u blijkbaar tot de vreedzame tak van het salafisme behoort.

„Een journalist vroeg mij ooit: Ben je salafist? Ik zei: Nee. Maar u predikt het salafisme? Ja, maar ik ben geen salafist zoals jij het in je hoofd hebt. Ik wil geen kalifaat oprichten. Ik wil geen mensen buitensluiten. Ik ben geen persoon die andere mensen minderwaardig vindt. Ik wil mijn gedachtegoed niet met geweld verspreiden. Ik bestrijd elke vorm van geweld. De salafist die in de Van Dale staat, dat ben ik ook niet. Een radicale, anti-westerse stroming – daar heb je het al. Ik ben niet radicaal en niet anti-westers. Er is veel onwetendheid, zowel bij moslims als bij niet-moslims. Het salafisme is geen partij, geen beweging, geen ideologie. Het is een streven. Ik streef naar barmhartigheid en rechtvaardigheid. Er zijn helaas moslims die de regels van de islam overdrijven en er zijn moslims die de regels te losjes nemen.”

Filosoof Menno Lievers schreef in een reactie dat de Nederlandse overheid zwakkeren in de samenleving moet beschermen, onder wie de sceptische moslim die zich wil ontdoen van zijn islamitische identiteit.

„De islam heeft duidelijke voorschriften hoe een moslim een niet-moslim kan accepteren. Ook binnen de familie. Mensen bellen me soms en zeggen: mijn dochter heeft afstand genomen van de islam. Dat is binnen de islam nog erger dan homoseksualiteit. Het eerste wat ik zeg is: verstoot haar niet. Verwijder haar niet uit het gezin. Ga samen zitten, omarm haar, geef warmte, doe smeekbedes voor haar, vermaan haar. Maak duidelijk dat ze op een verkeerd pad zit.”

We kennen allemaal de verhalen over islamitische homoseksuelen die niet uit de kast durven komen, of die verstoten worden.

„Binnen de islam is homoseksualiteit verboden. Maar de islam verbiedt het om zo’n persoon onrecht aan te doen of te verketteren. Dat sommige moslims dat wel doen, komt omdat ze onwetend zijn. Ze zijn bang dat anderen over hen praten. Sommige moslims vinden ook dat het een zonde is om naar een niet-moslim te glimlachen. Waarom zou je niet naar een niet-moslim glimlachen? Dat heeft niets met de islam te maken. Ze leven in een fantasie.”

Wat is uw advies aan ouders met een homoseksueel kind?

„Ook hier: praat met hem. Omarm hem. Doe smeekbedes voor hem. Maak hem duidelijk dat hij niet het juiste pad bewandelt en wijs hem de goede weg. Maar sla de deur niet dicht, dat maakt de zaak erger.”

Wat zou u een homo adviseren?

„Dat hij over zijn seksuele behoeftes waakt en die structureert. Dat leren ouders ook aan een kind. Zorg dat je niet naar een naakte vrouw kijkt. Zorg dat je niet geobsedeerd raakt door seks. Leer hoe je met je gevoelens kan omgaan, binnen de regels van de islam. Dat je probeert je behoeftes op de islamitische, juiste wijze uit te leven. Met een vrouw.”

Een lezer schreef over jonge vrouwen die door Marokkaanse jongetjes van tien jaar worden uitgescholden voor ‘hoer’: ‘Dat kan alleen maar als ze thuis, van familie, van hun ouders, te horen krijgen dat er niets minderwaardiger is dan een westerse vrouw die zich niet bedekt en die niet gelovig is.’

„Heeft de lezer met deze ouders gesproken? Praat met ze. Zeg: ‘wij zitten met dit probleem’. We moeten ouders ervan bewust maken dat ze hun kinderen beter moeten opvoeden. Wij zien ook dat er vaak absoluut geen opvoeding is. Dat is geen integratieprobleem, dat is een opvoedprobleem.”

Columnist Ebru Umar betoogde donderdag 28 januari in NRC dat moslimouders die tegen aanpassen zijn hun kinderen de kans op werk ontnemen.

„Ze zegt ook dat moslimouders die hun kinderen gelovig opvoeden crimineel zijn. Dat is pas crimineel. Ze vindt dat je moet accepteren dat je onderdrukt wordt. Zij rechtvaardigt zo apartheid. Haar gedachtegoed leidt tot polarisatie. Wat ontneem ik een kind als ik zeg: je bent moslim én zorg ervoor dat je meedoet in de maatschappij? Kan hij later zijn werk niet goed doen, omdat hij geen handen schudt?”

Er moet wat u betreft iets veranderen in het hoofd van de autochtone werkgever?

„Juist. Accepteer de ander zoals hij is, niet zoals jij wil dat hij is. Meer vragen we niet.”

Waarom denkt u dat dat zo massaal niet gebeurt?

„Het is niet meer dan normaal dat veranderingen in de samenleving gepaard gaan met angst. We zitten in dat proces, we moeten gewoon volhouden.”

Hoe ziet de ideale samenleving er wat u betreft uit?

„Dat we zijn gestopt met dit soort discussies over handen schudden. Er is al meer dan twintig jaar tegen moslims gezegd: zorg ervoor dat jullie de islam thuis houden. Dat is niet gelukt. Dat gaat ook niet lukken. Zorg er gewoon voor dat je de ander accepteert zoals hij is. Dit zie ik voor me: een vrouw in een burqa, een jodin, een jood, een moslim, een atheïst samen aan tafel. En dat we dan samen kijken hoe we van onze wijk een betere wijk kunnen maken.”

We spoelen even door naar dit moment. Een gezamenlijk buurtcentrum wordt geopend. Wat doen we met de muziek?

„Dat u die vraag stelt, dat is het probleem. U stelt deze vraag omdat u denkt dat het een drempel zou zijn tussen mij en u als wij niet naar dezelfde muziek luisteren. Waarom luistert u niet naar mijn muziek?”

Dat willen we best.

„Vanuit islamitisch oogpunt mag ik niet naar bepaalde muziek luisteren, dat leidt af van waarvoor ik leef hier op deze aarde. Ik wil God tevreden stellen door me goed te gedragen. Naar iedereen toe, moslims en niet-moslims, zelfs naar de dieren en de planten. Moet dit de drempel zijn? We zitten hier nu toch ook aan tafel?”

Bij sommige politici bestaat de angst dat Syrië-gangers uit kringen van salafisten komen.

„Dat is klinkklare onzin. Waar is het jihadistisch salafisme? Ik zie het niet in Nederland. Ze hebben geen moskeeën, geen stichtingen. Het zijn juist mensen die door de maatschappij zijn weggedrukt die uiteindelijk op internet informatie over het radicalisme vinden. Zij hebben niets met salafisten te maken. Wij bestrijden elke vorm van geweld, al meer dan dertig jaar. Ik was de eerste in Nederland die een video naar buiten bracht om jongeren te waarschuwen. ‘Kijk uit’, heb ik gezegd, ‘dat je daar niet de Rambo gaat uithangen en je eigen broeders gaat neerschieten’.”

Dan vertelt de imam een anekdote. „Als ik met mijn vrouw op straat loop, komen kinderen soms naar haar toe. Ze vragen: Ben je een spook? Kunnen we met je praten? Ben je een mens? Dan speelt ze soms even kiekeboe met haar niqaab. Ze zegt: ‘Kijk, ik ben gewoon een mens. Ik kan praten. Hoe gaat het met je?’ Dat is de openhartigheid die we in Nederland zoeken. Politici die angst aanjagen en de boel opblazen, staan dat in de weg.”