‘Als je schrijft wat je meemaakt, gaat het mis’

(73) vertelt bij een flammkuchen hoe hij eens een baarmoederoperatie bijwoonde, als research. ‘Ik heb de neiging om dingen te grondig te doen.’

O

p de terugweg van het hotel waar we lunchten naar het hotel waar hij overnacht, lucht John Irving (73) heel eventjes zijn hart. „Het enige leuke aan het schrijverschap... Zo langzamerhand is dat vooral het schrijven zelf.” Het valt niet mee om een van Amerika’s bekendste, nog levende romanschrijvers te zijn. Sinds zijn grote doorbraak in 1978 met De wereld volgens Garp heeft hij zichzelf al honderd keer aan interviewers horen vertellen dat hij altijd eerst de slotzin bedenkt, en daarna het verhaal achterstevoren vertelt. Dat hij de eerste versie van een roman altijd met de hand noteert. En dat hij gemiddeld vijf tot zeven jaar over het schrijven doet. Liefst langer, want „het kan me niet langzaam genoeg gaan”.

Irvings veertiende roman is net uit. Avenue van de mysteriën. Over een jongen van veertien die met zijn helderziende zusje opgroeit op een vuilnisbelt in Mexico. Alle vaste Irving-ingrediënten zitten er weer in: bizarre seks (dit keer met een moeder én een dochter die zo sterk zijn dat ze de hoofdpersoon met één vinger op bed drukken), een afwezige vader, beren, travestieten en bier drinkende dwergen, en een jongen die in zijn puberteit iets ergs overkomt waardoor zijn leven een beslissende wending neemt. In dit geval rijdt de afwezige vader per ongeluk met zijn tractor over de voet van de jongen. De voet is verbrijzeld, de jongen zal de rest van zijn leven kreupel blijven. Het ongeluk zorgt er ook voor dat de jongen en zijn zusje van de vuilnisbelt worden ‘gered’ door Jezuïeten. Ze komen, als nieuwe attractie, in dienst van het circus van Mexico-Stad.

Het circus dat John Irving heet, reist dezer dagen van Amsterdam naar Kopenhagen en dan via Engeland weer terug naar Toronto, waar hij woont met zijn (tweede) vrouw en (derde) zoon. Het lunchhotel is op loopafstand van het hotel waar hij altijd slaapt als hij in Amsterdam is. Ik had voorgesteld ergens in de rosse buurt te gaan lunchen, het decor van twee van zijn eerdere boeken. Maar daar had hij geen behoefte aan. Als we aan tafel zitten – hij met zijn „kouwelijke rug” bij de houtkachel – vraag ik hem of hij dat altijd heeft. Dat hij zijn belangstelling verliest voor de beschreven decors, de personages, de gebeurtenissen zodra een boek af is.

Bedachtzaam peutert John Irving aan de pleister aan zijn wijsvinger. Hij denkt na. Hij zucht. En dan, als hij eenmaal aan het praten slaat, is hij als een containerschip. Niet van koers te veranderen. Hij praat zoals hij schrijft. Heel.. erg...langzaam.. En zoals zijn boeken zelden onder de zeshonderd pagina’s uitkomen, zo lang van stof is hij ook in gesproken tekst. Geen klachten hoor, want wat hij vertelt is onderhoudend en hij beheerst alle technieken om de aandacht vast te houden. Hij dempt en verheft zijn stem, geeft details die de nieuwsgierigheid prikkelen, en is tussendoor soms zo lang stil dat je hoopt dat hij verder praat. Waarschuwing vooraf: wat hij zegt is niet meteen een antwoord op de gestelde vraag.

Vijfentwintig jaar onderzoek

„Ik heb de neiging om dingen te grondig te doen,” zegt hij. Met de research voor zijn laatste boek is hij vijfentwintig jaar bezig geweest. „Het zou eerst een film worden.” Zes, zeven keer reisde hij naar Mexico, de vuilnisbelt heeft hij misschien wel honderd keer bezocht. „Ik wilde zien of de kinderen zouden opgroeien tot volwassenen, en hoe ze er dan uit zagen. Ik wilde weten hoe lang de zwerfhonden er overleefden. De oudste werd vier jaar.” Hij grinnikt: „Kranig diertje.” De laatste keer was hij er met zijn vrouw en zoon. „Ze vonden er geen zak aan. ‘We zijn hier niet met jou’, zei mijn vrouw. ‘Maar met Juan Diego’.” Zo heette de hoofdpersoon van het boek in wording. Ze had gelijk. „Ik was daar niet als mezelf, maar als mijn hoofdpersoon.” Voor hij aan een boek begint weet hij exact „de lineaire lijn in het leven van mijn personage. Ik weet exact wat ik wil dat er gaat gebeuren.” Hij is op zo’n locatie met een „boodschappenlijstje aan details” die hij wil „finetunen”.

Amsterdam was de plaats van handeling in Weduwe voor een jaar en Tot ik je vind. Voor beide boeken had hij ook weer een wensenlijst. Bijzonderheden die aan zijn verbeelding waren ontsproten, maar die wél moesten kloppen. Hij vroeg Amsterdamse prostituees of er wel eens klanten zijn die willen betalen om alleen maar toe te kijken. „Zo vaak”, zeiden ze. Wat hij zich afvroeg: kwam zo’n verzoek ook wel eens van een vrouw? Zijn hoofdpersoon, een vrouw, koesterde namelijk die wens. „Nee, zeiden de prostituees. Nog nooit.” Hij steekt zijn gewonde wijsvinger in de lucht. „Há. Maar wat ik had bedacht, kon toch.” De vrouw in zijn boek is schrijver. En schrijvers zijn, in Irvings wereld, bedenkers van het ondenkbare.

De serveerster komt de bestelling opnemen. Hij neemt een flammkuchen, een flinterdunne pizza. Even is er een opening voor een vraag tussendoor, of eigenlijk een opmerking. Zoals hij te werk gaat, de realiteit in overeenstemming brengen met zijn bedenksels, is anders dan wat een wetenschapper of een journalist doet. Die kijken eerst naar de werkelijkheid en schrijven op wat ze zien. Dat is hij niet met me eens. „Ik kijk beter naar de werkelijkheid dan welke wetenschapper ook. Ik ben een eeuwige student. Ik weet dat ik niks weet.” Nooit zal hij vertrouwen op zijn eigen kennis of ervaring. Bij het schrijven van De regels van het Ciderhuis putte hij uit zijn jeugdervaring als appelplukker. „Ik dacht dat ik wel wist welk gif er gespoten werd, hoe het was om op een tractor te rijden. Maar toen ik het liet lezen aan mijn vaste mee-lezers...” Hij slaat zijn handen voor zijn gezicht. „Zo veel fouten.” Voor hem was het een bevestiging van wat hij al wist. „De ervaringsliteratuur.... Zodra je gaat schrijven over wat je hebt meegemaakt, gaat het mis. Dan krijg je Hemingway-literatuur...” Hij kokhalst bijna. „Dodelijk saaie boeken.”

Geef hem een hartprobleem

Hij heeft operaties bijgewoond waarbij een baarmoeder werd verwijderd om geloofwaardig te kunnen schrijven over een keizersnede aan het begin van de twintigste eeuw, toen er nog geen moderne technieken waren. „Mijn beste vriend Marty is arts. Bij elk medisch probleem zet ik hem aan het werk.” De hoofdpersoon in zijn nieuwste boek leeft meer in het verleden dan in het nu. „Ik vroeg hem: hoe maak ik dat een tikje erger? Geef hem een hartprobleem, zei hij meteen. Dan kun je hem bèta-blockers geven. Those pills mess your brain up.” Hij belde Marty ook om te vragen of leeuwen rabies kunnen hebben, hondsdolheid. Hij schrijft in Avenue van de mysteriën over een circusleeuw die een meisje bijt en besmet met rabies. „Marty bleef stil. Als hij erachter was, zou hij me bellen.” Hij schatert. „Dat heeft verdomd lang geduurd.”

In Amsterdam heeft hij ook tatoeage-artiesten gesproken. Wat hij weten wilde: klopt het dat mensen die volledig bedekt zijn met tatoeages (fullbody’s heten ze in jargon) het vaak koud hebben? „Ik hoef niet te horen dat zeventig procent van de fullbody’s het koud heeft. Als twee procent het koud heeft, heb ik voldoende.” In een psychiatrische inrichting in Zürich praatte hij met acht psychiaters over het personage dat toen alleen nog in zijn hoofd bestond: een volledig getatoeëerde Nederlandse organist. „Organisten zijn een bijzonder slag. Ze bespelen het luidste, het grootste instrument ter wereld, maar zitten altijd verstopt achter de pijpen.” Hij presenteerde de casus van zijn fictieve patiënt, die het altijd koud had en wiens leven langzaam instortte. „Mijn grootste angst was dat die psychiaters zouden zeggen: ‘O, dat is een easy fix. Geef hem twintig milligram Lexapro en hij heeft nergens meer last van.” Maar ze zeiden: „We hebben er hier zo eentje zitten.” Een schilder, fullbody getatoeëerd, die het altijd koud had. En, en? Waarom had hij het koud? Afwezig speelt Irving met zijn bril. „Dat heb ik niet gevraagd. De man zat met een dekentje over zijn knieën en liet me door zijn mouwsgat spieken naar zijn tatoeages.” Maar wat zeiden de psychiaters dan? Hij herinnert het zich precies, in het Duits. „Er ist nicht kalt. Zijn lichaamstemperatuur was normaal. Hij dénkt het alleen.”

Tot slot vraag ik of hij Homerus heeft gelezen op zijn deftige Amerikaanse kostschool. Zijn stiefvader doceerde er Russische literatuur, en als zoontje-van mocht John Irving er ook op. Ik bedoelde voorzichtig te zeggen dat zijn boeken net zo wijdlopig zijn, zo vol herhalingen en vaste omschrijvingen. De koe-ogige Hera van Homerus is bij Irving de jongen-met-de-verbrijzelde-voet.” Irving veert op en begint over een toneelstuk van Sofokles dat hij als kind zag. „De profeet, die alles ziet, is blind. Lang voor hij het toneel opkwam, hoorde je hem aankomen.” Hij tikt met zijn mes op tafel. Tok. Tok. Tok. „Zijn blindenstok. En steeds werd hij geïntroduceerd als ‘de blinde profeet die alles aan ziet komen’. Alsof we dat niet allang door hadden. Alsof we imbecielen waren.” Morons, zegt hij. Maar, toegegeven, hij doet het ook. „Herhalingen zijn als een refrein. Ze houden de lezer bij de les.”

Het is tijd om te gaan. We lopen over een houten bruggetje over de Amsterdamse gracht terug naar zijn hotel. Nog een paar interviews te gaan. En dan kan hij weer doen wat hij het leukste vindt aan het schrijverschap.