Als ik hem pijn kan doen, dan doe ik het

Zondag is het WK veldrijden, in België. De broers David (23) en vooral Mathieu van der Poel (21) zijn kanshebber voor de titel. Hoe is het om als broers elkaars concurrent te zijn?

De riante woonkeuken van de familie Van der Poel in het Vlaamse Kapellen hangt er vol mee: foto’s van een juichende Mathieu. Op weg naar de wereldtitel, naar het Nederlands kampioenschap, en daaronder het wereldkampioenschap op de weg in 2013. Mathieu, Mathieu, Mathieu, maar geen portret van David, de oudste broer, die aan de keukentafel nu en dan zuchtend zoekt naar een antwoord op vragen en dan nerveus op zijn stoel van links naar rechts beweegt, veelal naar buiten kijkend, waar het regent. Veel liever speelt hij met Luna, een jonge dalmatiër. David houdt niet van de schijnwerpers, in tegenstelling tot zijn drie jaar jongere broertje.

Drie weken geleden stonden ze samen op het erepodium van het NK veldrijden in Hellendoorn. Mathieu prolongeerde zijn titel, zoals verwacht, David werd derde. Terwijl de rood-wit-blauwe kampioenstrui om de schouders van Mathieu ging, gleed Davids blik over de toeschouwers richting het bos daarachter, waar hij net vergeefs geprobeerd had zijn broertje de titel afhandig te maken. En nu had hij het ook nog koud, hij stond met zijn gezicht vol in de wind te rillen. Eigen schuld. Hij had de kans op een ereplaats vooraf zo klein ingeschat dat hij amper tijd had besteed aan het pakken van zijn podiumtas. Een petje en een ‘bovenlijfje’, dat was het wel. „Mathieu weet altijd precies wat hij in zijn podiumtas moet doen. Een droge broek, handschoenen, iets om zijn nek. Daar besteedt hij aandacht aan. Ik ben het niet meer gewend”, formuleert de oudste broer onrustig.

Toen David in de juniorencategorie fietste, lagen de verhoudingen nog anders. Dat Mathieu toen al harder reed viel niet op omdat hij bij de nieuwelingen fietste, en dus op een ander moment zijn wedstrijden afwerkte. David won in zijn tweede jaar bij de junioren 25 van de 30 wedstrijden. Hij was heer en meester in het veld. Hier reed de opvolger van vader Adrie, die in de jaren negentig op de weg grote klassiekers als de Amstel Gold Race en Luik-Bastenaken-Luik won. David won de nationale titel, de Vlaamse regelmatigheidsklassementen van de Superprestige, de Bpost Bank Trofee, de wereldbeker zelfs – zo’n beetje alles wat er te winnen viel. Na dat seizoen stonden de professionele wielerteams voor hem in de rij. Tot die tijd had hij er nooit over nagedacht om professioneel sporter te worden. Dat veranderde van de ene op de andere dag, na telefoontjes van Rabobank en BKCP, een Nederlandse en een Vlaamse profploeg. Hij staakte zijn opleiding handelswetenschappen en sportmanagement en koos voor het veldrijden. Ineens trainde hij tussen zijn idolen, Vlaamse renners als Niels Albert, mannen waar hij altijd tegenop had gekeken. Hij kreeg een contract, reed op gesponsorde fietsen, verdiende een onkostenvergoeding en ging regelmatig op trainingskamp. Zonder Mathieu. Maar niet lang.

David had het altijd wel aangevoeld. Dan reden ze als tieners vlakbij huis door de bossen van Kalmthout en zag hij zijn kleine broertje over heuvels springen en met gemak langs houtstronken glijden. „Van die handigheidjes had hij, alles was een grote speeltuin voor hem. Hij durfde meer, was behendiger, en hij kon altijd al harder trappen dan ik, zo simpel is het.”

Ze zijn allebei winnaarstypes, daar ligt het volgens David niet aan, maar Mathieu heeft altijd meer lef gehad. „Ik liet die heuvels links liggen, omdat ik dacht: nee, dat kan ik niet. Ik denk meer na, over alles eigenlijk. En dan doe ik het niet.”

Behendig over de planken in de modder

Mathieu van der Poel is een van de weinige veldrijders die, wanneer een parcoursbouwer als extra uitdaging planken dwars in de modder heeft gezet, daar met zijn fiets overheen kan springen. Twintig, dertig centimeter hoog, het maakt hem niet uit. Concurrenten, ook David, moeten van het zadel, tillen hun fiets op en rennen dan over de planken. Mathieu ‘bunnyhopt’.

Behendigheid en lef dus, maar, zegt David: „Het verschil zit ’m ook in ons karakter. Ik ben veel rustiger dan Mathieu. Als we de hele middag samen in het bos waren geweest, dan moest ik even uitrusten. Mathieu niet, die was zijn energie dan nog niet kwijt. Die fietste nog een stuk en dan bleef ik binnen.”

Moeder Corinne Poulidor, dochter van Raymond Poulidor die drie keer tweede werd in de Tour de France, beaamt dat: „Altijd rennen en vliegen. Dat was behoorlijk vermoeiend ja. Hij kwam regelmatig onder de blauwe plekken terug, kende geen gevaar.” Mathieu triomfantelijk: „Ik viel een jaar of vijf geleden eens van mijn fiets vol met mijn borstbeen op een boom. Borst gekneusd. En ik brak mijn sleutelbeen wel eens. Er moesten van die titanium pinnen in, die ik er trouwens allemaal weer heb laten uithalen. Dat stoort me op de fiets.”

Nog altijd is Mathieu buiten het veldritseizoen hele dagen in het bos te vinden. Als er wedstrijden zijn, moet hij zich koest houden. Hij leest dan thrillers, speelt op de playstation met David. Maar over een week of vier mag hij los. „Dan ben ik van negen tot zes buiten, met mijn vrienden. We bouwen heuvels van modder en zand en daar springen we dan overheen.”

Ze fietsen op een dirt bike, een soort mountainbike met een laag zadel, gemaakt om mee over hindernissen te springen. Mathieu kocht laatst een nieuwe die hij nog niet mag gebruiken. Als hij valt, kan hij naar een nieuwe wereldtitel fluiten. Later in de schuur streelt hij zijn azuurblauwe fiets. Achteraan hangt ook een exemplaar van David, een paarse. „Maar die gebruikt hij nooit, die hangt hier maar.”

Zit Mathieu niet op de fiets, dan rijdt hij in zijn vorig jaar gekochte oranje BMW 1M, „topsnelheid 300 kilometer per uur, maar vooral het geluid als ik hard optrek met die wagen geeft een kick”.

Toen David twee jaar voor profploeg BKCP reed, kwam ook Mathieu bij het team. De ploegleiding kon niet om het toptalent heen; in het seizoen 2012-2013 startte hij 32 keer, en won hij 32 keer.

De broers reden dezelfde wedstrijden: Mathieu was dan eerst aan de beurt bij de junioren en David daarna, bij de beloften. Ze wonnen samen wedstrijd na wedstrijd, het was ieder weekend feest in de camper terug naar huis.

Dat veranderde toen Mathieu, eigenlijk nog belofte, eind december 2013 bij de grote mannen uit mocht komen, waar inmiddels ook David zijn wedstrijden reed.

Vanaf dat moment ging het zo: als Mathieu startte, kon David een overwinning op zijn buik schrijven. Hij versloeg zijn broertje nog nooit. Eén keer had het gekund, maar toen liet hij Mathieu expres winnen. „We reden voor plek drie en vier, maar Mathieu stond hoger in het algemeen klassement. Ter plekke besloot ik me op te offeren voor hem. Achteraf denk je daar wel over na. Daar had ik op het podium kunnen staan.”

Onderweg naar huis houdt Mathieu zich in, hij weet dat David in zijn schulp kruipt als hij ontevreden is. Op zondagavond is alles weer goed. Zondag is patatdag in huize Van der Poel, ook tijdens het seizoen, en iedereen doet mee.

Op training voelt David zich wel eens sterker dan Mathieu, en dan laat hij dat zien. „Als ik hem pijn kan doen, dan doe ik het ook. Niet dat ik hem verneder, maar hij mag het wel voelen. En dan zegt hij na afloop: ‘Allee, je rijdt hard man.’ Ik voel me dan sterk. Maar veel vaker moet ik dat tegen hem zeggen.”

Ze trainen eigenlijk altijd samen, ieder een schema op eigen niveau. Vorige week deden de broertjes een training achter de brommer, zestig kilometer per uur. „Ik moest vragen of het wat rustiger mocht, omdat ik het gewoon niet bij kon houden. Als ik het niet zeg, train ik mezelf over de kop. En ik weet: Mathieu kan op training net zo diep gaan als tijdens een wedstrijd. Ik niet.”

David denkt dat hij het in zich heeft om zijn kleine broertje te verslaan. Ooit. Mathieu weet wanneer hij moet oppassen: „Als we samen op de finish afrijden en het komt op de sprint aan, dan ga ik het verliezen. Sprinten, daarin is David beter dan ik. Maar als David er dit weekend op het WK halverwege vandoor gaat, ga ik hem niet terughalen. Dan gun ik hem de wereldtitel.”