Column

Vergeten, toch mooi

Veel vergeten dichters blijven ook op de Nationale Gedichtendag vergeten. Zou er deze week ergens iemand een gedicht van Gabriël Smit (1910 – 1981) hebben voorgelezen? Het hoefde ook niet, er is zoveel goede poëzie en Smit heeft veel geschreven dat terecht vergeten is. Maar bladerend door een oude bundel (Gedichten uit 1975) trof mij onderstaand moedergedicht. Waarom ik het mooi vind?

Kees Fens en Gabriël Smit, beiden katholiek, kwamen elkaar tegen op de redactie van de Volkskrant waarvoor zij werkten. Smit zei dat hij het gedicht De moeder de vrouw van Nijhoff zo mooi vond. Ja, zei Fens, heel mooi. Zo spraken zij een kwartiertje over allerlei poëzie: mooi, heel mooi. Liefhebbers van literatuur praten zo met elkaar, merkte Fens op. Geen ingewikkelde vaktaal, maar: mooi, heel mooi.

Fens had een afkeer van ‘het kunstmatige spreken over literatuur’, zoals in het literatuuronderwijs gebeurt; hij twijfelde daarom aan het nut van zulk onderwijs, hoewel hij het zelf gaf. Hij was het eens met Gerrit Krol die schreef: „Als je een boek mooi vindt, dan geef je het aan een vriend mee en je zegt erbij: ‘Lees dit; dit is mooi’. En na enige tijd brengt hij het boek terug en zegt: ‘Dit is een mooi boek’.”

En dan nu het mooie, titelloze gedicht van Gabriël Smit.

Dood. Er is maar één dood, moeder,

die van u. De mijne? Het zal een zelfde

zijn, maar die ken ik niet. Alleen

de uwe weet ik: een vreemd, donker

ding, een met zwart laken bedekte

kist in een groezelige kamer, te hoog,

want zonder op een stoel te staan

kon ik niets zien. Een oud, zwartig

doek, mijn vader wazig in een hoek

van schaduw, ik op de wankele stoel

met bevend in mijn armen bloemen,

onwezenlijk gebloei dat ik op

het zwart moet neerleggen en waarbij

ik zeggen moet: ‘Moeder, dit

hebt u van ons.’ Wat het betekent

weet ik niet, ook nu nog niet. Wat

geef je aan een zwart doek als je vier

jaar bent? Wat weet een kind van

wat daaronder ligt aan onbegonnen

leven, aan pijn alleen, aan verlangen

nog te mogen blijven? Wat

weet het van de strak gevouwen

handen die vergeefs onzichtbaar

rukken om nog open te liggen

op zijn dichte hoofd, zijn rode ogen

nog licht te zijn? Mijn hele leven

heb ik gedacht dat u nog bij

mij wilde blijven, onder het doek

nog iets had willen zeggen, dat

ik die afschuwelijke witte bloemen

gelegd heb op uw mond, uw laatste

adem, het ene woord dat mij altijd

onder mijn eigen laatste groet

verzwegen bleef.