Inderdaad, het moederschap is geen gemakkelijke opgave

Ingrid Hoogervorst (1952) heeft een onderzoekende geest. Zoals ze in eerdere boeken jeugdtrauma’s en familietragedies ontrafelde (Woede, Spiegels) en een mislukt huwelijk probeerde te ontleden (Privédomein), zo buigt ze zich in Zeeschuim, haar vijfde roman, over het moederschap. Er komt nog heel wat kijken bij het dragen, baren en verzorgen van een kind, zo blijkt wel. Ook de miskraam: het mislukte moederschap zou je kunnen zeggen, komt hier aan bod, in een zijdelings verhaal, vol tragische en trouwens ook mysterieuze verwikkelingen. ‘Misgeboorten zijn het werk van de schikgodinnen’, lezen we.

Noa, de hoofdpersoon van Zeeschuim stelt zich veel vragen over het moederschap. ‘Kan je je voorstellen dat je lichaam een ander lichaam baart? Dat er binnen in je een wezen groeit dat tegelijkertijd deel is van jezelf? Je zit er middenin en staat erbuiten.’

Noa is zich voortdurend bewust van de tweeslachtigheid van het moederschap. Aan de ene kant is een kind iets moois dat liefdevol door het moederlichaam wordt omhuld. Aan de andere kant is het een ‘wezen’, een soort alien die dat lichaam gijzelt, uitwoont en zelfs ‘onherstelbaar verwoest’. Gedachten over moedergeluk en moederleed wisselen elkaar vaak abrupt af. Vertedering en boosheid, schoonheid en verval, leven en dood gaan in deze zwaar aangezette roman nadrukkelijk hand in hand.

Al na een paar bladzijden is wel duidelijk dat het moederschap in geen enkel opzicht een gemakkelijke opgave is. We zien een opklimmende reeks: zware bevalling, onverwachte complicaties, buikoperatie, huilbaby – en dan is de koek nog lang niet op.

Toch is het niet alleen de moeder die bepalend is voor de intrige. De meest onsympathieke rol in dit boek is weggelegd voor de vader. En dat is meteen ook een van de zwakke punten ervan. Want wie is die quasi-kunstzinnige kettingroker en zuipschuit die zo graag een kind wil met Noa, maar die het na de bevalling zo lelijk laat afweten? En waarom maakt Noa, die zichzelf herhaaldelijk als ‘wiskundemeisje’ betitelt, niet een paar simpele rekensommetjes voordat ze met deze duistere figuur in zee gaat?

Hinderlijk is ook dat zijzelf, al haar kloeke overpeinzingen ten spijt, een weinig doortastende instelling heeft. Er hangt een wolk van wrok boven de roman. Noa is ‘uitgeput’. Noa is ‘helemaal van de kaart’. Noa moet de hele tijd maar fruit schillen en groente prakken. Noa wil niet naar Amerika, maar sjokt toch maar achter haar alcoholistische vriend aan. Daar heeft ze het vervolgens heel erg warm. Ze blijft maar aarzelen tussen blijven of weggaan, tussen vriend of vrijheid.

Omdat onze jonge moeder zelf geen keuzes maakt, doen de schikgodinnen het ten slotte maar voor haar. Dat lijkt althans de slotsom te zijn van deze weinig overtuigende en veel te slachtofferachtige roman.