Hoe het politieke theater veranderde

In de 19de eeuw waren parlementaire redes een vorm van kunst. Met de verandering van het parlementaire publiek veranderde dit.

Lord Palmerston spreekt het Britse Lagerhuis toe in 1860 Culture Club/Getty Images

In Nederland wordt sinds 1992 om de twee jaar aan een politicus de Thorbeckeprijs voor politieke welsprekendheid uitgereikt. Je kunt je afvragen wat dat voorstelt, als je afgezien van de eerste laureaat Hans van Mierlo de overige winnaars bekijkt. Was de welsprekendheid van Frits Bolkestein (winnaar in 1994), Paul Rosenmöller (1998) of Femke Halsema (2010) echt zo bovengemiddeld? Boven het Nederlandse gemiddelde wellicht is eenoog koning.

Wie Henk te Veldes studie Sprekende politiek. Redenaars en hun publiek in de parlementaire gouden eeuw leest, stuit op de échte grote jongens. De gematigde, Franse sociaal-democraat Aristide Briand (1862-1932), die tijdens zijn redevoeringen een soortement muziek wist voort te brengen. De dandy-achtige theatrical games van Benjamin Disraëli (1837-1876) in het Engelse Lagerhuis, de dazzling rhetorics van liberaal William Gladstone (1809-1898), en misschien wel in de eerste plaats graaf Mirabeau (1749-1791), de tribuun met een afzichtelijk voorkomen die in 1789 de twaalfhonderd leden tellende, Franse, revolutionaire Assemblée Nationale niettemin wist mee te slepen met zijn stem, zijn passie en ‘solidité de sa dialectique’.

Henk te Velde analyseert in zijn bijzonder gravende boek de veranderende plaats van de redenaar en diens publiek in de Britse en Franse parlementaire geschiedenis van de 19de eeuw. Hij zet zich af tegen Jürgen Habermas’ Strukturwandel der Offentlichkeit (1962), die stelde dat het ‘klassieke parlementarisme’ aan het eind van de 19de eeuw ten onder ging. Te Velde meent juist dat ‘de betekenis van welsprekendheid en debat veranderde doordat het publiek waarop de parlementariërs zich richtten aan het eind van de eeuw fundamenteel verschoof van de elite naar de massa.’ Niet ‘minder’ dus, maar anders.

Een soort marktplaats

Groot-Brittannië heeft een bijzonder lange, nogal gesloten, aristocratische parlementaire traditie. Rustige discussie, beschaafd, er vooral op gericht het evenwicht te handhaven. Daarbij vergeleken is het rumoerige parlement dat in Parijs in revolutiejaar 1789 van start gaat inderdaad revolutionair. Een soort marktplaats.

Mooi laat Te Velde zien hoe gaande de 19de eeuw toch een soort fusie van beide vormen ontstaat. Invloed van de Britse situatie (die de Fransen uitgebreid bestudeerden) speelde zeker een rol. Na de val van Napoleon kreeg ook het Franse parlement een meer aristocratisch karakter. Naast de schouwburg vormde het parlement een cultuurvormend onderdeel van de samenleving.

Politiek was hot, in de beroemde ‘salons’ maakten ook vrouwen deel uit van de politieke cercle, de politieke rede werd beschouwd als een literair genre. Dat veranderde uiteraard met de invoering van het kiesrecht – het publiek werd steeds groter, de politiek moest zijn taal aanpassen. In de 19de eeuw groeide de dagbladpers enorm en deed de politieke verslaggever zijn intrede, een brug naar het grote publiek. Maar hoe breng je een live toespraak over op je lezers? De emoties in de zaal, spanning, geur, sprekershouding ? Niet elke verslaggever is een Emile Zola of Alphonse Daudet, die politieke debatten volgden en beschreven.

Het mag zo zijn dat het publiek het parlement volgde als een toneelvoorstelling, intussen is de politieke rede uiteraard middel en geen doel. Er moet ook gewoon geregeerd worden, er moeten wetten gemaakt, en die rol verschoof steeds meer van vorst naar parlement.

Parlementaire vergaderingen werden minder vermaak, en meer werk. Zowel in Engeland als Frankrijk groeide het als vanzelf de kant op die voor de leden het minst slecht werkte – men stelde immers zijn eigen regels. Het recht van de voorzitter de leden onderbreken of te vermanen (Order! Order!), maar ook de mogelijkheid van de leden om de parlementaire omgangsregels te misbruiken voor eigen doelen.

Dat laatste is een interessant aspect. In vrijwel elk parlement zijn er leden die bij bepaalde kwesties de zaak plat willen leggen om hun zin door te drijven. Zo meende de Ierse afgevaardigde Charles Parnell in 1881 zijn belangen (Iers zelfbestuur) te moeten behartigen door op grond van de Lagerhuisreglementen alle discussie en besluiten te blokkeren. De eerste ‘obstructiecrisis’ was een feit, ‘een ergere nachtmerrie dan vroeger het overwinnen van de macht van de koning’.

Waarom die nachtmerrie zo erg was? Ik denk omdat men besefte dat hier de politieke rede en ook de redelijkheid buiten spel werden gezet, juist op basis van op zichzelf redelijke regels. Dat niemand in het Britse Lagerhuis die deze beter kende dan Parnell maakte het er niet simpeler op. De oplossing was eenvoudig – meer macht voor de voorzitter –, maar juist de aanpassing van de regels om dat formeel mogelijk te maken was een cultuurbreuk die er diep inhakte en bij de aanstaande uitbreiding van het kiesrecht een gevaarlijk precedent vormde. Want wat zou er wel niet gebeuren als de socialisten straks zetels zouden winnen?

Obstructie

Al in 1886 bleek de parlementaire obstructie ook in ons land geïmporteerd, nota bene door antirevolutionairen en katholieken. In 1911, toen de SDAP eenmaal vaste grond in het parlement had, pleegde Tweede Kamerlid Scheper obstructie. ‘Het wettige wapen eener verdrukte parlementaire minderheid’, noemde voorman Troelstra deze parlementaire strijdwijze in 1920. Nog in 2012 erkende de Eerste Kamer-fractie van de PVV parlementaire obstructie te hebben gepleegd bij pogingen om het permanente Europese noodfonds tegen te houden, door bijna negen uur spreektijd aan te vragen. Ik stel me de schrik voor bij de senatoren: negen lange uren politieke redenaars van het culturele niveau van Henk en Ingrid.

Sprekende politiek mag als historische studie van buitenlandse parlementen ver van ons bed lijken. Die gouden eeuw is voorbij, van oratorische hoogstandjes is geen sprake meer, zeker niet in ons eigen land – de haren rijzen je te berge als je in de Handelingen van de Eerste of Tweede Kamer op het taalgebruik let. Toch is deze heldere, rijke en erudiete studie een onmisbaar boek, verplichte lectuur voor elke politicus in binnen- en buitenland, en een aanrader voor elke kiezer die zich afvraagt waarom een parlement werkt zoals het werkt, en zo sprekend lijkt op wat het is: zichzelf.