‘Het wordt sowieso een z o o i t j e’

Wim T. Schippers wil ons in verwarring brengen, ‘dan ga je beter kijken’. Dus wordt een neushoornskelet net een beetje in de weg gezet.

In de zaal van Wim T. Schippers staat naast een klassiek beeld een Auzoux-beeld: een anatomisch perfect menselijk model uit de negentiende eeuw, gemaakt van papier-maché. Foto Olivier Middendorp

‘Eigenlijk had ik natuurkunde willen studeren”, zegt Wim T. Schippers. „Maar ik had een handicap: ik kon nogal aardig tekenen. Toen ben ik mijn familie ontvlucht en naar de Kunstnijverheidsschool gegaan.”

Voor het eerst tijdens het gesprek staart hij wat melancholiek voor zich uit. „Nou ja, vermoedelijk was ik er ook niet gedisciplineerd genoeg voor geweest. Wist je dat zowel Robbert Dijkgraaf als Vincent Icke kunstacademie hebben gedaan? Dat is het lot van de kunstenaar hè: als wetenschapper kun je kunst erbij doen, maar omgekeerd wordt het niks. Wetenschap, daar moet je je helemaal in storten.”

Gelukkig heeft Schippers, al jaren Nederlands beroemdste underground-kunstenaar, de schade enigszins ingehaald. Hij presenteerde van 1994 tot en met 2002 de Nationale Wetenschapsquiz en ook in zijn werk gebruikt hij af en toe de wetenschap.

Neem zijn beroemde beeld Het is me wat uit de collectie van Museum Boijmans van Beuningen, dat hij ontwikkelde in samenwerking met de TU-Delft: een forse kei die een centimeter of tien boven zijn sokkel zweeft.

„Mensen denken vaak dat het een truc is”, zegt Schippers, maar het werkt gewoon met elektromagnetische velden. „Punt is: het is niet moeilijk om in twee voorwerpen een magneet te stoppen en die tegenover elkaar te zetten zodat ze elkaar afstoten. Maar: de steen wordt dan meteen uit het veld gegooid, dondert op de vloer.” Om dat te voorkomen zitten er in de sokkel elektromagneten en laserstralen. „De laserstralen worden weerkaatst door spiegeltjes in de steen, zo wordt elke beginnende afwijking gecorrigeerd en berekent een computer de passende actie van de elektromagneten in de sokkel. Mooi of niet?”

Juist om die belangstelling voor wetenschap lag het voor de hand dat Schippers, toen hij werd gevraagd een zaal in het DWDD pop-upmuseum te vullen, meteen dacht aan de collectie van het Universiteitsmuseum van Groningen. Daar verzorgde hij al in 2004 als gastconservator de expositie Sporen van het spullenbeest en veel van de objecten die nu in het Allard Pierson Museum te zien zijn, leerde Schippers bij die gelegenheid kennen.

Maar dat betekent niet dat de exposities op elkaar gaan lijken. „Achter die expositie zat een idee: dat de mens het enige dier is dat zo’n grote hoeveelheid spullen verzamelt”, zegt Schippers. „Daar schijnt trouwens een heel heldere verklaring voor te zijn, iets met imponeergedrag en seksualiteit en voortplanting, maar ik vond het een mooi uitgangspunt om allemaal mensbeelden en menselijke uitvindingen te laten zien. Dat doe ik nu ook, alleen zit er nu niet echt een idee achter.”

Helemaal niks?

„Nee. Nou ja, een kleintje. Waar het bij mij altijd over gaat: dat het de moeite waard is om goed te kijken. Maar ik ga hier zelf geen beelden maken, wat ik in Groningen wel heb gedaan. Ze hebben daar heel bijzondere skeletten, van kinderen met zware vergroeiingen bijvoorbeeld. Van mijn middelbare school weet ik nog dat we zo’n skelet in de klas hadden en dat medeleerlingen die een sigaret in z’n mond gaven en een petje opzetten. Onze leraar zei toen: dat moet je niet doen, dat is ook een mens geweest. Daar was ik het toen mee eens, maar in Groningen stelde ik voor om kinderskeletjes in een ballenbak te zetten, lekker vrolijk, en toen kwam iemand met een soortgelijk argument: respect, ook een mens. Nu wist ik ineens het antwoord: als je dat werkelijk gelooft, dan is zo’n kind in die ballenbak toch veel beter af dan in een koud en donker depot? Dáár hadden ze geen antwoord op!”

Wat is het belangrijkste werk in uw DWDD-zaal?

„Dat is denk ik de Ames-kamer. Dat is een kamer die speelt met perspectivische vertekening, waardoor, als je er samen in gaat staan, de een veel groter lijkt dan de ander. Dat brengt mensen in verwarring, je snapt het niet direct en daardoor ga je juist beter kijken. En dat komt op allerlei manieren in m’n zaal terug. Omdat daar ook nog werken staan uit de vaste collectie, ben ik gaan combineren. En dus staat er straks naast een klassiek beeld een prachtig Auzoux-beeld: een anatomisch perfect menselijk model uit de negentiende eeuw, vervaardigd van papier-maché. Prachtig, omdat het heel gedetailleerd is – in dit exemplaar gaat het om bloedvaten en spieren, en dan heeft-ie ook nog een erectie.”

Doet u nog meer met de combinatie van collecties?

„Daardoor wordt het natuurlijk sowieso een zooitje. Dus dan kun je maar één ding doen: het erger maken. Ik was een tijd geleden in de Blauwe Moskee in Istanbul en daar zie je dat ook: een prachtig interieur vol met eeuwenoude lampen en kleden en meubels. En dan staat daartussen ineens een foto op een goedkoop plastic kleedje in een soort Hema-lijst. Zulke combinaties vind ik erg aantrekkelijk.”

Is uw manier van kijken te leren?

„Nou, leren...” Voor het eerst in anderhalf uur is het een halve seconde stil. „Omkeren, dat doe ik in mijn werk veel. Afwijkingen, restvormen, interesseren me ook. Als een amateurkunstenaar bijvoorbeeld een kan moet afbeelden begint-ie doorgaans met de buitenlijn en vult dan de kan in, de achtergrond vult-ie daarna nog even snel in. Ik draai het liever om: ik gebruik zo’n kan om een kunstwerk te maken. Restvormen zijn daarbij zeker zo belangrijk, de ruimte om die kan heen, het negatief van die kan. Als die goed zijn kan die kan als zodanig er helemaal niet meer toe doen.”

Gaat u dan helemaal niks zelf toevoegen?

„Ach, ik kan het toch niet laten natuurlijk. Het grote skelet van een neushoorn bijvoorbeeld gaan we net wat ongemakkelijk neerzetten, een beetje in de weg, zodat je denkt, verdorie, wat doet dat neushoornskelet daar nou – dat vind ik leuk. We laten ook een hele vroege computer zien, zo’n enorme kast met heel weinig geheugen, volgens hedendaagse maatstaven. Daar zet ik een opgezette raaf op, met het nieuwste type iPhone in z’n bek. Uiteindelijk wil ik toch dat mensen op zoek gaan, zich inspannen, beter kijken. Want kunst begint met kijken. Als je eenmaal kunt kijken, dan volgt de kunst vanzelf.”