Hendrik Groen

Een nationale discussie is het nu ook weer niet, maar een gezelschapsspel kan je het wel noemen: ‘Wie is Hendrik Groen’, de auteur van het vorig jaar verschenen bejaardendagboek Pogingen om het leven te veranderen. Over die vraag wordt in sommige letterkundige kringen flink gediscussieerd. Dat ‘Hendrik Groen’ inderdaad een man van zo’n 85 jaar oud is, is daarbij de optie die het krachtigst terzijde wordt geschoven.

Het ligt blijkbaar niet voor de hand dat de ironische bespiegelingen over ouderdom, een beetje vlak maar bekwaam opgeschreven, uit de pen komen van iemand die zich nooit eerder heeft geroerd. Het dagboek begon op de site van het internettijdschrift Torpedo, en vrijwel iedereen die wel eens wat voor dat tijdschrift schreef, is er van ‘verdacht’ Groen te zijn: A.L. Snijders, Nico Dijkshoorn, Marcel van Roosmalen maar die lijken met hun eigen werk wel druk genoeg. Buitenkandidaten als Bert Keizer, Sylvia Witteman, Peter de Smet? Ook hier doemt de vraag op: waarom zouden ze? Maar Stijn Aerden, Paul Abels en Carel Helder dan? Vooral voor laatstgenoemde zijn er veel aanwijzingen, niet in het minst het feit dat Hendrik Groen juist Helder omstandig prijst in het nu verschenen tweede deel van zijn dagboek Zolang er leven is.

Hoe dan ook: dat tweede deel is meer van hetzelfde: dezelfde omgeving, dezelfde mensen, hetzelfde decor, dezelfde stem. Groen is weer iets ouder, maar nog steeds de goed bedoelende mopperkont die tips heeft voor een beter leven in het verzorgingstehuis, de eenzame intellectueel op de vijfde verdieping, die in zijn sombere uren nadenkt over het levenseinde: regie in eigen hand nemen of niet?

Verder kabbelt het kalmpjes voort: de kaartavondjes, de herinneringen, de doktersbezoeken, de pijntjes, de overwegingen over vroeger (toen er nog één telefoontoestel was voor de hele straat), de uitstapjes met de O- manido-club (‘oud maar niet dood’). En hij volgt het nieuws, een beetje, de aanslag op Charlie Hebdo komt langs, de klimaatconferentie in Parijs, de Teeven-deal. Dat gaat dan zo: ‘Misdaad mag niet lonen, vinden wij, en 4,7 miljoen is een tamelijk hoog loon.’ Erg lang houdt hij zich er niet mee bezig.

Opmerkelijk genoeg gaat het niet over het feit dat Hendrik Groen zo’n beetje het hele jaar in de bestsellerlijst heeft gestaan. Of het nu bescheidenheid is of de wens om anoniem te blijven bij zijn vrienden: over zijn overdonderende succes schrijft ‘Groen’ niet, en het laatste restje spel dat er echt een Groen zou zijn, is daarmee wel verdwenen.

Maar wie is het dan wel? Enkele Groen-watchers zijn ervan overtuigd dat het Arnon Grunberg moet zijn, die immers als Marek van der Jagt al eens ‘opnieuw’ debuteerde. Maar het oubollige, een tikje onhandig geschreven proza van Groen maakt dat hoogst onwaarschijnlijk. Grunberg schreef ook onder pseudoniem een fenomenaal boek. Pogingen om van het leven iets te maken en Zolang er leven is zijn nogal vlak. Vergeleken met Groen was Simon Carmiggelt een vlijmscherpe polemist.

Tegelijkertijd: dat is natuurlijk wél volkomen in character voor deze bejaarde in zijn microwereld. De onvolmaaktheden van deze dagboeken passen perfect bij de ‘auteur’ en zijn ‘omstandigheden’. Behendige psychologische manipulatie, kortom. Het maakt het lezen van Zolang er leven is wel tot een interessante ervaring: niet als een dagboek maar als pijnlijke analyse van een steeds kleiner wordende dodelijk, saaie wereld in verval.