Is de opwaardering van Katendrecht ook goed voor de 'gewone Rotterdammer'?

De stad is bezig zichzelf opnieuw uit te vinden, en aantrekkelijk te worden voor hogere inkomens. Maar arme stadinwoners profiteren daar niet van.

Foto Daniella de Haan

Voor veel Rotterdammers is het heel gewoon geworden. De Erasmusbrug oversteken, rechtsaf de Wilhelminakade op, bij Lantaren/Venster een filmpje pikken of bij Hotel New York binnenstappen voor een high tea. Of nog verder de Rijnhavenbrug over naar Katendrecht, voor een biertje bij de Kaapse Brouwers of een etentje bij een van de restaurantjes op het Deliplein.

Maar zo gewoon is dat niet. Zeker niet voor de niet eens zo oude noordoeverbewoner, die zich herinnert dat hij nog geen 25 jaar geleden de Willemsbrug over moest om de Wilhelminapier te bereiken. En ook niet voor de inwoners van de aangrenzende wijken op zuid. Want wat hadden ze op die pier te zoeken? Vervallen loodsen, leegstaande hallen, en op de doodlopende kop het monumentale maar nog niet tot hotel omgebouwde hoofdkantoor van de Holland-Amerika Lijn.

Beleid om verloedering te stoppen

Dat tegenwoordig niet alleen Rotterdammers maar ook binnen- en buitenlandse toeristen de weg naar de Kaap weten te vinden, is het gevolg van beleid dat begin jaren negentig is ingezet om de verloedering te stoppen en vervallen stadsdelen op te knappen. De Kop van Zuid is het bekendste, maar niet het enige gebied dat is herontwikkeld tot een aantrekkelijke plek om te wonen, te werken, of uit te gaan. De Meent en de Markthal in het centrum, de Nieuwe Binnenweg en Delfshaven in west en het Zwaanshals in noord: het zijn leuke plekken waarvan Rotterdam er in het verleden veel te weinig van had.

Lees ook: Hoe Rotterdam nr. 5 werd

Maar nu Rotterdam helemaal ‘hot’ is, klinkt er ook gemor over de verandering die de stad heeft ondergaan. Leuk hoor, al die nieuwe theaters, hippe kofffietentjes en ‘food factories’, maar alleen toegankelijk voor een elite, niet voor alle Rotterdammers. Sterker, de armere inwoners van de stad zijn de dupe, want de keerzijde van de ‘renaissance’ van de stad is dat die groepen uitsluit. De opgeknapte wijken zijn erop vooruitgegaan, maar alleen voor degenen die zich kunnen permitteren er te blijven wonen, aldus Brian Doucet, hoofddocent Urban Studies aan het Erasmus University College.

Hij schreef daarover vorige maand een opiniestuk op website VersBeton. De opwaardering van de stad heeft de ongelijkheid tussen zijn inwoners vergroot, is zijn stelling. „Wonen in de stad wordt duurder. Mensen betalen hieraan een steeds groter deel van hun inkomen. Velen kunnen zich dat niet permitteren, zeker niet in deze opgewaardeerde wijken, waar oude, betaalbare woningen worden gesloopt om plaats te maken voor duurdere koopwoningen. Zij worden daar dus eigenlijk uit verdreven.”

Gentrificatie (letterlijk: opwaardering) is de term voor het beleid dat de gemeente voert om mensen met geld naar de stad te lokken. Toeristen voor een tijdelijk verblijf en hoger opgeleiden om er te komen wonen in duurdere woningen. Dat beleid heeft zich uitbetaald: Rotterdam is een populaire stedentrip en waar bewoners voorheen wegtrokken naar randgemeenten als Capelle en Barendrecht, komen ze nu terug. Vooral daardoor stijgt het inwonertal van de stad na jarenlange krimp weer. Per saldo komen er per jaar 2.300 Rotterdammers bij, zo heeft de gemeente berekend.

Verschillen nemen toe

In theorie zou gentrificatie gunstig moeten zijn voor alle inwoners. De toenemende welvaart zou moeten doorsijpelen van boven naar beneden, bijvoorbeeld in de vorm van werkgelegenheid. Doucet ziet er weinig van terug. „Ja, er worden banen gecreëerd, maar voor wie zijn die banen? Niet voor de gewone man en vrouw op zuid. De ongelijkheid wordt er alleen maar groter op.”

Recente cijfers van het CBS lijken Doucet gelijk te geven. In het rapport Armoede en sociale uitsluiting van december voert Rotterdam het lijstje aan van Nederlandse gemeenten met het hoogste aandeel van huishoudens met een laag inkomen. Ook is in Rotterdam het verschil tussen arm en rijk de laatste jaren toegenomen, al wijkt Rotterdam hierin niet af van de andere grote steden.

Een taaie klus

Dat er een mismatch is tussen de nieuwe werkgelegenheid en het soort banen waar grote groepen inwoners behoefte aan hebben, ziet ook Marco Pastors. Het Nationaal Programma Rotterdam Zuid waarvan hij directeur is, is in 2012 opgezet om de achterstanden van de wijken op zuid en hun bewoners in te lopen. Uit de jongste voortgangsrapportage uit december blijkt dat dat een taaie klus is.

Grootste problemen: een voorraad van 10.000 vervallen woningen van particulieren waar de gemeente nauwelijks greep op heeft, en hardnekkige werkeloosheid. Het afgelopen jaar is het aantal mensen op zuid met een uitkering alleen maar toegenomen, tot meer dan 15.000. Ook Pastors constateert: „Deze mensen maken weinig kans bij jonge innovatieve bedrijven of hippe horeca. Zij zijn meer aangewezen op de oude economie waar nog ongeschoold werk te vinden is.”

Hoe kan ook het zuiden van Rotterdam meebewegen in de triomf van de stad?, is voor Pastors de hoofdvraag. Evenals Erasmus-onderzoeker Doucet meent hij dat opwaardering niet dé oplossing is. „Neem Katendrecht. Daar zijn we twintig jaar geleden begonnen, er is heel veel geld in gestoken – wat het allemaal waard is geweest – en we zien nu de positieve resultaten. Maar dat is maar een klein gebied met 5.000 inwoners. In heel Rotterdam-Zuid wonen 200.000 mensen. Katendrecht herhalen in Lombardijen en Pendrecht? Onmogelijk.”

Anders dan Doucet ziet Pastors gentrificatie echter ook niet als probleem. „Ik vind het een nogal smalle analyse om het weg te zetten als oorzaak van een toenemende tweedeling in de stad als geheel. Sommige delen zijn er geschikt voor, vaak door hun ligging en het type woningen. Maar het zijn maar kleine buurtjes die zo de weg naar boven vinden.”

Gemeente moet armoede aanpakken

Zo bezien hoeven opwaardering en aanpak van de armoede elkaar niet in de weg te zitten. Toch kan Pastors zich wel vinden in de kritiek dat de gemeente meer kan doen om het gat tussen rijk en hip Rotterdam en arm en vervallen Rotterdam te verkleinen. „Ik vind dat een verwijt dat je de beleidsmakers wel degelijk kunt maken: dat ze zich heel erg richten op het verbeteren van de kwaliteit van de stad, maar vergeten ervoor te zorgen dat de groepen waar ze eigenlijk het hardst voor aan de slag zouden moeten gaan, daarvan meeprofiteren.”

Wat Erasmus-onderzoeker Doucet betreft gebeurt dat door naar een gemengde stad te streven: „De gemeentelijke politiek zou kunnen zeggen: laten we sociale woningbouw in die opgewaardeerde wijken behouden, zodat het niet alleen zones voor rijke mensen worden.”

Katendrecht is voor hem geen voorbeeld van hoe het zou moeten. „Dat is een soort microcosmos voor wat er in Rotterdam gebeurt. Er is daar nog steeds een scheiding. Vroeger was het hele gebied een no-go area voor de middenklasse. Nu ook, maar een kleiner deel: de grenzen zijn verschoven, maar niet vervaagd. De gewone mensen die al jaren op Katendrecht wonen, wat hebben die met de Fenixloods en het Deliplein? Is het beter voor hen geworden?’