Een asielcentrum zonder sukkelaars

Schrijver Dimitri Verhulst en regisseur Manu Riche over hun film Problemski Hotel.

Ilyas Mettioui als asielzoeker in een asielcentrum in Brussel.

‘Mensen in asielzoekerscentra portretteren als sukkelaars, dat noem ik pas cynisch”, reageert de Belgische schrijver Dimitri Verhulst op de opmerking dat de film Problemski Hotel door sommigen als cynisch wordt omschreven. In de tragikomedie, gebaseerd op Verhulsts gelijknamige novelle, volgen we een groep vluchtelingen in een provisoire asielopvang in Brussel. In het voormalige bankkantoor zien we hen ijverig heupbewegingen oefenen om op de dansvloer een Vlaamse vrouw te kunnen versieren, horen we hoe hun vrienden in een verkeerd werelddeel zijn beland omdat ze zich van container hadden vergist en wordt tijdens een potje kaarten terloops verteld dat iemands vrouw en kinderen zijn vermoord.

Als research voor de verhalen verbleef Verhulst in 2001 enkele dagen in een Belgisch asielzoekerscentrum, hij ontmoette er weinig ‘sukkelaars’. „Het gros van de mensen daar zijn onwaarschijnlijk sterke persoonlijkheden; ze hebben een buitengewone beslissing genomen. Je kunt geen politiek vluchteling zijn als je niet nadenkt of geen mening hebt.”

Regisseur Manu Riche (Tempo of a Restless Soul) vult aan dat juist de humor en afstand in het boek van Verhulst, hem deed kiezen om een fictiefilm over het onderwerp te maken, in plaats van een documentaire, zoals al zijn vorige films. Hij wilde geen verhaal over asielzoekers dat bol stond van het medeleven. Riche: „Dan zou je doen alsof wij heel de situatie begrijpen en de barmhartige Samaritaan kunnen spelen. Daarvoor is de problematiek te complex.”

Afkeer voor alle meningen

De hoofdpersoon in de film, Bipul, lijkt niet toevallig een man zonder geheugen. Het is niet alleen handig, de Belgische overheid kan hem immers niet terugsturen naar zijn land van herkomst, maar hierdoor kan hij de verhalen en (absurde) acties van zijn medebewoners nogal onbewogen observeren.

Zowel Verhulst als Riche uiten hun afkeer voor alle meningen over asielzoekers die er vandaag de dag worden rondgestrooid, vooral na ‘Keulen’. Verhulst: „Ik kan vragen over quota voor asielzoekers enkel beantwoorden met empathie en een wedervraag: ‘Als ik vlucht van een plek waar mijn mensenrechten dagelijks worden geschonden, wil ik dan dat iemand voor mij de deur opendoet?’”

Scheve man­vrouw verhoudingen bij de vluchtelingen komen wel aan bod, zowel in het boek als de film. Zo heeft een van de bewoners er geen probleem mee zijn vrouw af te rammelen, als ze niet doet wat hij wil. Riche: „We leven met bepaalde clichés, maar door er mee te spelen zie je ook de beperktheid ervan. Ik denk niet dat ik een karikatuur heb gemaakt van de bewoners. Shaukat is iemand die nogal hardhandig met zijn vrouw omgaat, maar hij is tegelijk slachtoffer. Zijn vrouw is waarschijnlijk degene die hem naar België heeft gesleurd, maar gaat er dan vandoor. De verhalen zijn iets minder simpel, dat is wat ik probeer te tonen.”

Verhulst: „Als mensen zeggen dat het verhaal actueel is, antwoord ik altijd: ‘slecht gekeken 15 jaar geleden’. Want toen waren er ook al bedden te kort in asielcentra. Toen ik het boek in 2003 schreef, vond ik dat ik laat was met het onderwerp.”

Verhulst hield het in 2001 maar enkele dagen uit in het azc. Verhulst: „Er waren toen veel seksuele vluchtelingen– vrouwen die zelf besneden waren en vluchtten met hun dochters om hen dat lot te besparen. Het moment dat een van die vrouwen zei: ‘Ik wil je mijn besnijdenis tonen’, alsof ik haar anders niet zou geloven, kreeg ik het moeilijk als schrijver.”

De auteur voelde dat de bewoners hem als een instrument zagen om hun zaak in orde te krijgen. „Eigenlijk hadden zij een groter geloof in de literatuur dan ik, zij dachten dat hun zaak geholpen zou worden doordat ik erover schreef.” De schrijver moest hun hoop in de literatuur afzwakken.

In het slot van het boek schrijft Verhulst: ‘Ik voel mij genoopt te melden dat zowat de helft van deze verhalen verzonnen is, en dat geen enkel verhaal een leugen bevat.’ Hoe realistisch zijn de tragische verhalen die we in Problemski Hotel horen?

Verhulst: „Toen ik me realiseerde dat mensen in het centrum liegen, vond ik dat als schrijver een bevrijding. Je beseft dat je in een fictiewereld terechtkomt; mensen worden gedwongen hun verhalen aan te passen. Uit overlevingsdrang, ze weten dat ze met het ene verhaal welkom zijn en met het andere niet. ”