De wereld heeft geen ijkpunten meer

Een mooi oudemannenboek roept de sfeer op van verdwenen ijkpunten en vanzelfsprekendheden. Het gaat er bij Van den Brink niet om dat de wereld is veranderd, maar hoe die is veranderd.

Tekening Paul van der Steen

Welbeschouwd is Dijk, de nieuwe roman van H.M van den Brink (1956) een oudemannenboek. Niet alleen omdat de verteller een gepensioneerde man is die het leven overdenkt van de collega met wie hij in 1961 aan een nieuwe baan begon. Zelfs niet om de marginale rol die vrouwen in de vertelling vertolken: er is een directrice die een door een ander geschreven toespraak houdt, er is een echtgenote die warm naast de hoofdpersoon in bed ligt en er is een aantrekkelijke koffiejuffrouw. De koffiejuffrouw en de echtgenote zijn overigens dezelfde persoon.

Vooral is Dijk een oudemannenboek in de onverholen nostalgie waarmee het verleden wordt opgeroepen – zie de beschrijving van de eerste gedeelde sigaret van de collega’s: ‘En terwijl een aangename scherpe lucht zich over de bureaus met hun kerven en inktvlekken tussen ons in verspreidde, keken we elkaar uitvoerig aan.’ Daar wordt zwijgend een soort bondgenootschap gesloten – er waren in de jaren zestig nog geen voorstelrondjes. ‘Verhoudingen hadden te maken met wat de mensen deden, niet met wat ze wilden zijn. Dat woordeloze roken was meer dan genoeg intimiteit.’

Stuurse collega

Dijk is een oudemannenboek, maar een mooi oudemannenboek. Van den Brink keert ermee terug naar het sfeergestuurde schrijven van zijn meest succesvolle boek, de prachtige novelle Over het water (1998). De setting van Dijk is eenvoudig. De verteller heeft ruim veertig jaar gewerkt bij wat aanvankelijk de Rijksdienst voor het IJkwezen heette, maar inmiddels de BV Metrifact is. Dat deed hij met zijn even intelligente als stuurse collega Karl (nooit: ‘Karel’) Dijk. Bij het afscheid van Dijk wordt de hoofdpersoon gevraagd om de speech van de directie te maken, maar Dijk zelf komt uiteindelijk niet opdagen bij de receptie. Geleidelijk aan, terwijl de verteller door Dijk in zijn dromen wordt bezocht, blijkt welke geheimen daar de reden van zijn. Kleine geheimen, maar toch.

Prachtig contrasteert Van den Brink de moderne gebouwen vol glas, staal en zielloze kunstwerken met de romantiek van het oude donkere kantoor aan de (destijds nog shabby) Brouwersgracht. Daar kwamen ondernemers om hun weeg- en meetinstrumenten te laten ijken. Over het controleren van de gewichten ‘Wanneer een stuk te licht was, werd het met een beetje lood gejusteerd. De minuscule loodballetjes werden met een drevel in de onderkant van het gewicht geslagen. Wanneer het te zwaar bleek, kwam dat meestal door vuil, aangekoekte resten van het een of ander, en peuterden of schraapten ze zorgvuldig – leesbril op de neus, een tongpunt soms even tussen de lippen gestoken – de onrechtmatigheden weg. In de groentewinkel koekte er zand en vuil aan de gewichten, bij bakkers deeg en meel.’

Het doet denken aan Het Bureau, de kantoorcyclus van J.J. Voskuil, die een paar grachten verderop speelt in een enigszins vergelijkbaar instituut. De wereld van de ijkmeesters verdween: eerst door de opkomst van onberispelijke elektronische weegschalen, daarna door het voorverpakte voedsel.

Mooi schrijft Van den Brink over de tochten die er worden gemaakt door de Noord-Hollandse provincie, met aandacht voor weiland en wolkenlucht, maar ook voor de conflicten die met een onverwachte controle gepaard konden gaan: de boer die zijn aardappelen op een wrakke balans weegt en die uit irritatie over de bemoeizucht van het ijkwezen de controleur achterover in de aardappelberg douwt. Steeds benadrukt Van den Brink het fysieke aspect van de wereld: de weegschalen en de uithangborden, maar ook de stapels spullen in de etalage of het harde bruine glas van de bierflessen in het verlaten dorpscafé.

De verzorgde en observerende stijl van Van den Brink leent zich uitstekend voor dit soort literatuur, die het niet van de plot moet hebben: het kleine beetje spanning over het geheimzinnige afscheid van Dijk dat de auteur nog in zijn verhaal heeft weten te persen, mag eigenlijk geen naam hebben. Wat dat betreft is het passend dat de roman als ondertitel ‘Een vergelijking’ heeft, wat het licht statische karakter van Dijk benadrukt.

H.M. van den Brink boog zich al eerder over de moeizame verhouding tussen het individu en de veranderende wereld van de tweede helft van de twintigste eeuw, zie ook zijn romandebuut De vooruitgang (1993) en zijn journalistieke werk voor NRC Handelsblad, waarin hij bijvoorbeeld onder de titel ‘Naar een Europa zonder slagers’ het einde van de legendarische Amsterdamse patémaker Rodrigues beweende – gevolg van het feit dat de traditionele inrichting van de zaak niet voldeed aan voortschrijdende Brusselse regelgeving. Dat Dijk niet over vleeswaren maar over ijkmeesters gaat, is geen toeval. Het gaat Van den Brink er niet alleen om dat de wereld veranderd is, maar om hoe de wereld veranderd is. Want we zijn zelf onze ijkpunten kwijt.

Oerkilo

Het beroep van de helden in Dijk staat voor de tijd waarin de wereld zelf nog geijkt werd: een periode waarin een orde heerste met een reeks vaststaande principes. Er bestond overeenstemming over wat echt was: de oerkilo zoals die in Parijs wordt bewaard, maar ook een hele reeks sociale, religieuze en politieke waarheden. De wereld werd vervolgens in kaart gebracht door te kijken hoe een fenomeen (of dat nu een weegschaal was of een opvatting) zich verhield tot die vaststaande waarheden, tot datgene wat we voor vanzelfsprekend hielden.

Die vanzelfsprekendheden zijn weg en dat is waar Dijk over gaat. Over het feit dat er op het bureau van de directrice geen echte meetgewichten meer staan, maar speelgoedgewichtjes. Over het kunstwerk in de hal van het gebouw dat niemand (behalve Dijk) begrijpt. Over het feit dat de afscheidsspeech voor Dijk in zijn afwezigheid tóch gewoon wordt uitgesproken.

Van den Brink wil laten zien hoezeer onze wereld er een van symbolen is geworden: zaken zijn niet meer iets, ze verwijzen ergens naar. Ze ontlenen hun waarde en betekenis niet aan een vergelijking met een vaststaande grootheid. Wat telt is slechts hun relatie tot andere symbolen. Zo ontstaat een wereld waarin alles zweeft en het hondsmoeilijk is om het werkelijke nog van het virtuele te onderscheiden.

Het aardige is dat Van den Brinks oudemannenboek zich daarmee precies op het terrein begeeft waar een kwarteeuw jongere schrijvers als Niña Weijers, Joost de Vries en Hanna Bervoets rondstruinen. Hun boeken komen steeds weer uit bij de vraag wat er nog echt is in een wereld die zo maakbaar is dat alles een voorstelling kan zijn. Bij de jongeren is de illusie van een ijkpunt allang verdwenen, Van den Brink roept de tijd op waarin het nog bestond. Maar het gemis is hetzelfde.