Column

De Thuiskok: Saté, maar niet met kip

illustratie jet petersI

Kipsaté is wellicht het meest gegeten Indonesische gerecht búiten Indonesië, maar in het land zelf staat het niet vaak op tafel. Kip is duur, vandaar. Misschien is er nog wel een andere reden waarom de Indonesiërs weinig kipsaté eten: er zijn lekkerdere varianten. In mijn ogen dan. Zoals saté babi, met varkensvlees dus. Hier geserveerd met een ketjapsaus van Bart Eijken, een van de auteurs van Bartje Bomboe.

Snijd de knoflook en rawits (of lombok) grof en maak deze met de pinda’s fijn in een vijzel. Voeg daarna de olie, petis udang en vloeibare gula djawa toe; goed mengen. Meng dan de ketjap, het limoensap en de rode sjalotjes erdoor. Afmaken met zout of nog meer limoensap of nog meer gula djawa.

Snijd het vlees in blokjes van ongeveer 1 cm en strooi er de peper en wat zout over. Snijd de ui en de knoflook fijn. Halveer de lombok overlangs en ontpit hem. Snijd in kleine ringetjes. Meng de ui, knoflook, djinten, ketumbar, kunyit, laos, trassi, gula djawa, lombok, santen en asem in een kom. Goed doorroeren. Voeg het vlees bij de marinade en laat een paar uur trekken in de ijskast. Hoe langer hoe beter. Doe de satéstokjes eerst even in een glas warm water. Rijg dan het gemarineerde vlees eraan, niet meer dan 4 stukjes aan 1 stokje. Rooster de saté, liefst op een gloeiend houtskoolvuurtje.