De puber Truman Capote weet je al te verbijsteren

Jeugdwerk beoordelen is ingewikkeld. Moet je uitgaan van de leeservaring of de leeftijd van de maker in de waardering meewegen? Moet je het werk beschouwen in de context van wat zou volgen, of juist niet? Vragen die ik had toen ik Waar de wereld begint opensloeg, een keuze uit de in een archiefdoos teruggevonden verhalen van de puber Truman Capote.

De bundel bevat veertien korte werken, die grotendeels te scharen zijn onder de swamp gothic waarmee Capote zijn loopbaan begon. Zoals Anuschka Roshani in het nawoord schrijft, wasemen ze ‘de geur van de in lange hete zomers verschroeide aarde van de zuidelijke staten: met een zweempje verrotting, vol onheilspellende voorgevoelens’.

Fraai is ‘De vertrouwde vreemdeling’, waarin een oude vrouw bezoek krijgt van de dood, die de gedaante heeft aangenomen van een jongeman. De jongeman komt haar bekend voor, van lang geleden, toen hij haar moeder kwam bezoeken.

Er zijn verhalen over landlopers, ontsnapte gevangenen in het moeras, of over een kleurlinge die als kok naar New York trekt, een zee van eenzaamheid waar de Hudson ‘Alabama’ fluistert. Wat opvalt in Waar de wereld begint, is de beroepsernst en de controle van de jonge Capote.

Er passeert wel eens een halfbakken vormexperiment of een rammelende zin, maar de taal is overwegend trefzeker, conform het streven naar ‘de helderheid van een bergbeekje’. Wanneer twee niksnutten een lift krijgen van een keurige heer, noteert Capote: ‘Zulke gasten wilden altijd graag in auto’s gezien worden, vooral met onbekenden; dan leek het of ze connecties hadden, en bovendien waren er de onvermijdelijke sigaretten’. Waarmee in één moeite door is aangetoond hoe goed de jongeling zich al weet te verplaatsen in figuren die ver van hem afstaan: kleurlingen, meisjes, oude vrouwen, landlopers. Het wijst vooruit naar zijn jubilerende non-fictie meesterwerk In koelen bloede (1966), waarin hij dicht op de huid kruipt van twee moordenaars.

Dit alles is niet los te zien van Capote’s achtergrond. Hij werd geregeld door zijn flierefluitende moeder in de steek gelaten en gedumpt bij tantes, veroordeeld tot de blik uit het raam en een blik in boeken. En ja, tot de brandende ambitie van de ongeziene, de ongeliefde. Die eenzaamheid voelde ik vooral in het verhaal ‘Dit is voor Jamie’, waarin de verteller, een jochie van zeven, een hunkering opvat naar een andere moeder, die in het park het hondje uitlaat van haar bedlegerige zoontje. Deze verhalen zijn het werk van iemand die al op jonge leeftijd scherp heeft leren observeren, noodgedwongen haast, met dat vroegrijpe van het verwaarloosde enig kind.

Het is niet nodig de leeftijd van de schrijver bij het lezen van Waar de wereld begint in gedachten te houden – de verhalen zijn onderhoudend en overwegend goed geschreven. Maar zodra je je indenkt dat ze uit de typemachine zijn gerold van iemand die nog geen auto mocht besturen, zijn de beste verhalen ronduit verbijsterend.