De mensenslachter tegen de man met de muts met bellen

Een boek met een afbeelding van Karel van het Reve op het omslag kan geen slecht boek zijn. Dus haalde ik Van hof tot overheid. Geschiedenis van literaire instituties in Nederland en Vlaanderen van de stapel. En ook omdat het van uitgeverij Verloren is, die zich specialiseert in historische uitgaven. Boeken die de meeste uitgevers koortsige aanvallen van ramsjangst bezorgen worden daar gewoon, en mooi uitgegeven. Van hof tot overheid is vanzelfsprekend ingenaaid, zoals ook de boeken uit de Privé-domein reeks vanaf dit jaar weer gewoon met garen bijeen worden gebonden. Eindelijk verlost worden van het harteloze plakwerk van de laatste jaren! Misschien wordt 2016 zo het jaar van de renaissance van het echte boek: met zorg en vakmanschap gemaakt. (Wat dat betreft: waarom heeft de laatste bundel van Joost Zwagerman wel een leeslintje, maar heeft Hollands Diep niet de moeite genomen het boek netjes te laten binden? Twee of drie euro duurder, maar net het verschil tussen schijn en schoonheid).

Dat uitgevers zich bij uitstek door vormgeving kunnen onderscheiden, staat ook in Van hof tot overheid, dat een solide overzicht blijkt van de instellingen die in de loop der eeuwen een rol hebben gespeeld in de literaire wereld. Omdat niets menselijks de criticus vreemd is, bladerde ik eerst naar het hoofdstuk over de literaire kritiek. Dat levert tal van schatten op, vooral uit de tijd waarin de critici nog onbekommerd op de man speelden: ‘De heer van Loghem kan een braaf man, een goed huisvader, een eerlijk handelaar, een schrander fabrijkant, een bekwaam wiskunstenaar, of iets dergelijks zijn, maar als dichter verdient hij een krans van slaapblâren, of eene muts met bellen. Hij verstaat nog minder zijne taal dan Warsinck en is nog langdradiger dan Klyn; nog zoetsappiger dan Ten Holt en nog vervelender dan Vincent Loosjes.’ (Vervang de namen der negentiende-eeuwers eens door, zeg, Pfeijffer, Kluun, Koch en Grunberg.) Je begrijpt waarom critici minder populair waren dan fabrijkanten en wiskunstenaars. En de weerstand tegen de gewoonte van recensenten om hun werk anoniem te doen. De niet-anonieme recensent, zoals de legendarische Conrad Busken Huet, belandde op een spotprent, met hakbijl tussen de bloedspetters van onschuldige literatoren: Koen, de mensenslachter.

Een fijn boek – al valt het hoofdstuk over de rol van de overheid een beetje tegen en had ik graag meer gelezen over moderne mecenaatsvarianten als crowdfunding. O, ja: Karel van het Reve figureert alleen in een fotobijschrift. Maar hij staat gelukkig zevendelig (gebonden!) in de kast. Sla deel 4 open op pagina 566, waar hij boosvrolijkt over ‘de licht psychisch gestoorden die op de lagereschooltoon die alleen in de Nederlandse ether te horen is, steeds weer dat nieuws voorlezen.’ Pas 41 jaar oud, die zin. Een muts met bellen voor Karel de Kale.