De absurde avonturen van een bejaarde

In zijn nieuwe roman laat de Pool Wieslaw Mysliwski de verteller met humor en tragiek op zijn leven terugblikken.

Tekening Paul van der Steen

Op een oudjaarsbal vraagt de vrouw van tandarts Jamroz niet een van haar aanbidders ten dans, maar de onaanzienlijke postzegelverzamelaar Mierzejewski. Tijdens het dansen probeert ze een briefje in een zak van zijn smokingjasje te stoppen, waarin ze de filatelist uitnodigt voor een rendez-vous. Het zal er nooit van komen. De zak van de smoking is nog dichtgestikt en het briefje valt op de grond. Na afloop van de dans wordt het door een van de andere balgasten opgeraapt en, tot ieders vermaak, hardop voorgelezen. De tandartsvrouw krijgt een spastische aanval en rent de vrieskou in. De postzegelverzamelaar loopt naar de voorlezer van het briefje, maakt hem uit voor ‘hufter’, trekt zijn revolver en schiet zich door het hoofd.

Het is een van de vele tragikomische scènes uit De laatste hand van de Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski (83). Net als zijn andere in het Nederlands vertaalde romans Over het doppen van bonen en Steen op steen is het een weergaloos boek, met speelsheid, originaliteit, humor en surrealistische tragiek.

Was in beide eerdere boeken een belangrijke rol weggelegd voor de oorlog en het grauwe communistische systeem, in deze nieuwe, door Karol Lesman schitterend vertaalde roman zijn die rampzalige episodes uit de Poolse geschiedenis ondergesneeuwd door een verzameling absurdistische belevenissen van de verteller, een bejaarde, eenzame zakenman, die zijn leven op orde probeert te brengen door namen in zijn adresboek door te strepen.

Door te schrappen haalt hij herinneringen op. Bijvoorbeeld aan zijn grote liefde Maria, die hij van kindsbeen af kent, maar met wie het nooit echt wat geworden is. Voortdurend duiken er hartstochtelijke brieven van haar hand op, waarin ze hem vertelt hoe leeg haar bestaan is als kinderarts en hoe ongelukkig haar huwelijk, maar vooral hoezeer ze na al die jaren nog naar hem verlangt. Zo schrijft ze: ‘Soms denk ik wel eens dat ik de dood al achter de rug heb en nog altijd van je hou.’ Vanuit zijn zelfgekozen isolement beantwoordt de verteller haar niet, wat hem op een aangrijpende afscheidsbrief komt te staan, geschreven van over haar graf.

De laatste hand, dat in tijd heen en weer schiet en uit een aaneenschakeling van gebeurtenissen bestaat, bevat veel mooie waarnemingen. Zoals over de dag waarop de verteller het adresboek kocht en zich van zijn eenzaamheid bewust werd: ‘Soms heb ik de indruk dat dat gevoel van eenzaamheid me sindsdien heeft vergezeld, ondanks dat het adresboek gaandeweg vol raakte, en dat het me nog steeds vergezelt, tot op de dag van vandaag, ook nu het al zo vol zit dat ik er een elastiek om moet doen, want net als toen kan ik mezelf er nog altijd niet in terugvinden.’

Het adresboek dient voor de verteller vooral als houvast in een jachtige wereld. Maar het is ook zijn geheugen en een samenvatting van zijn leven. Het schrappen van namen kost hem dan ook grote moeite, omdat hij daarmee zijn rommelige verleden uitvlakt. Dat blijkt als hij een droom aanhaalt, waarin hij iedereen uit zijn adresboek heeft uitgenodigd voor een jubileum in een failliete fietsfabriek. Ze mogen nu zelf kiezen wie er geschrapt moet worden en wie niet. Het levert een slapstickachtige nachtmerrie op, die eindigt met het weerzien met zijn al jaren dode moeder.

Springen van verhaal naar verhaal

Al associërend springt de verteller van verhaal naar verhaal. Zo belandt hij na een bezoek aan kleermaker Radzikowski, die door de opkomst van de confectie op de productie van tuinkabouters is overgestapt, bij het graf van de dode schoenmaker Mateja, met wie hij een spelletje poker speelt. Opnieuw volgt dan een heerlijk verhaal, dit keer over schoenlappen en versleten zolen. En dan lees je: ‘Soms liep een heel gezin op één paar schoenen, toen genoten schoenen meer respect dan voeten. Van de lente tot de late herfst liep men op blote voeten. Dan had een schoenmaker de tijd om uit te rusten. Dan kon hij ook eens een boek lezen.’

De oorlog komt in De laatste hand slechts af en toe, maar dan wel indringend, voor. Op zijn best gebeurt dat als Mysliwski een zomers strand beschrijft, waar ieders lichaam littekens van schotwonden vertoonde en het net was ‘of iedereen gewond was, of de hele wereld gewond was, niet alleen ons stadje.’

Hij benadrukt met de oorlog ook de eentonigheid van het bestaan: ‘want zelfs de ouderen hoorde je zo nu en dan zeggen dat het hier zonder oorlog maar een saaie boel was, dat er nooit iets gebeurde. Soms kwam er een auto langs en dat was het. Of we gingen naar de trein kijken. Maar de trein kwam aan, vertrok en dan kon je weer naar huis.’

Uit alles in deze melancholieke roman blijkt dat de verteller op zoek is naar zichzelf, omdat hij, zoals zoveel anderen, de waarheid over zichzelf niet kent. Als hij eenmaal tot rust is gekomen en zijn adresboek doorneemt, dient die zich op volle kracht aan en komt hij tot inkeer. Het is die verkrampte toestand die Mysliwski ongelooflijk goed weet te beschrijven en die van De laatste hand zo’n rijk boek maakt.