Crisisheffing op topsalarissen toegestaan

Hoge Raad oordeelt dat fiscus bevoegd was om in de jaren 2013 en 2014 extra belasting te heffen op werknemers met een topinkomen.

Een aandeelhoudersvergadering van Ajax, een van de bedrijven die bezwaar maakten tegen de crisisheffing. Foto ANP / Jerry Lampen

De Nederlandse fiscus was bevoegd om in de jaren 2013 en 2014 extra belasting te heffen op werknemers met een topinkomen. Dat oordeelt velt de Hoge Raad vrijdag in twee zaken die vier bedrijven tegen deze zogeheten crisisheffing hadden aangespannen.

De crisisheffing was een van de maatregelen van het akkoord dat het demissionaire kabinet Rutte I in 2012 met een deel van de oppositie sloot, om extra inkomsten voor de staatskas te generenen. Over de jaren 2011 en 2012 moesten werkgevers voor medewerkers die meer dan 150.000 verdienden 16 procent extra loonbelasting betalen. Het ging om ruim 40.000 werknemers. Volgens een woordvoerder van het Ministerie van Financiën heeft de tijdelijke maatregel 1,2 miljard euro opgeleverd. De crisisheffing raakte vooral bedrijven waar veel mensen topinkomens verdienen, waaronder veel professionele voetbalclubs en beursgenoteerde ondernemingen. Ajax betaalde alleen al in 2013 3 miljoen aan deze extra loonbelasting.

Heffing niet discriminerend, vindt Raad

Ruim tienduizend bedrijven, waaronder AkzoNobel, Heineken, Ajax en Feyenoord, tekenden tegen de aanslag bezwaar aan. Die werden allen uiteindelijk afgewezen. Een aantal bedrijven stapten hierop naar de rechter. Zowel de rechtbank als het gerechtshof stelde steeds de Belastingdienst in het gelijk. En nu dus ook de Hoge Raad.

Het hoogste rechtscollege is van oordeel dat de crisisheffing ,,niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom”, zoals dat in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is opgenomen. Evenmin was de heffing discriminerend ten opzichte van werknemers met een lager inkomen dan anderhalve ton. De crisisheffing vindt bovendien wettelijke grondslag in de bestaande Wet op de loonbelasting uit 1964.

Opmerkelijk genoeg had de advocaat-generaal, die de Hoge Raad adviseert, in juni vorig jaar de vier klagende partijen gelijk gegeven en de zaken terugverwezen naar het Gerechtshof. De Hoge Raad heeft dat advies niet opgevolgd.