Wel duizend objecten riepen: neem mij!

Wunderkammer

Robbert Dijkgraaf vult ‘zijn’ Senaatskamer met objecten uit de kunst en de wetenschap.

Chalcanthiet, kopersulfaat

De ogen van Robbert Dijkgraaf beginnen direct achter zijn bril te twinkelen als hij zijn zaal, de Senaatskamer van het Allard Pierson Museum, binnenloopt en kijkt naar het hoge plafond. De lamp die daar normaliter hangt, is verdwenen. In bruikleen gegeven aan het Stedelijk Museum voor een grote tentoonstelling over de Amsterdamse School.

„Daar komt de zaagvis”, wijst hij. „De oude Wunderkammers hadden altijd een krokodil aan het plafond hangen”, legt hij direct uit. „Wij hebben heel Teylers Museum en Boerhaave afgestruind, maar we konden niets vinden. Twee parkieten kunnen we er toch niet ophangen? Helemaal op zolder van Boerhaave vonden we deze zaagvis. Alsof hij uit zijn vergeten hoekje riep: ‘Ik lig hier te wachten, ik moet een keer in een Wunderkammer’.”

Het is een kille novemberochtend. Dijkgraaf is een week over uit de Verenigde Staten, omdat hij twee dagen later voor De Wereld Draait Door een college over zwarte gaten zal houden. Op een eerder bezoek aan Nederland is de wis- en natuurkundige hoogleraar, nu werkzaam in Princeton, al op bezoek geweest in de depots van Teylers en Boerhaave. Vandaag zal hij met Boaz Bar-adon, de ontwerper van tentoonstellingsinrichter Opera, de inrichting van zijn zaal doorspreken.

De ontmoeting is in de Senaatskamer, een zaal in de stijl van de Amsterdamse School die normaliter niet toegankelijk is voor het publiek. Dit is de oude griffiekamer uit 1922, de tijd dat De Nederlandsche Bank nog kantoor hield aan het Rokin in Amsterdam. Tegenwoordig is het een ontvangstruimte voor de sponsoren.

De verbeelding van kinderen

Van deze ruimte wil Dijkgraaf een Wunderkammer maken, vertelt hij Bar-adon. „Zoals ze die in de zestiende en zeventiende eeuw maakten, met objecten uit de kunsten, natuur en wetenschap die de verbeelding prikkelden. Kunst is sinds die tijd naar aparte musea gegaan, ik wil het hier weer terugbrengen. Voor wetenschap heb je de verbeelding nodig die wij als kind nog hebben, maar daarna verliezen. Ik wil weten of we nog kunnen ‘ontweten’, terug kunnen gaan naar de verbeelding van het kind. Ik wil de objecten die nu met een archieffunctie in depot liggen uit hun context halen. Bij het bezoek aan die twee musea waren er wel duizend objecten die naar me riepen: ‘Neem mij!’”

Bar-adon luistert en knikt, terwijl Dijkgraaf doorpraat. Alsof hij college geeft. „Ik wil bij elkaar brengen wat niet bij elkaar hoort. Als we daarmee vragen stellen waar geen antwoord op is, prima”, zegt hij. En vervolgens: „Ik wil objecten niet in een kast plaatsen, maar ze eruit halen, ze nieuwe lucht geven. In musea als Teylers heb ik in die bonbonnière het gevoel dat ik terugga in de tijd. Dat wil ik hier niet. Ik wil niet die Wunderkammer van een paar eeuwen geleden reconstrueren. Ik wil moderne ingrediënten toevoegen, ik wil het mooi maken voor deze tijd.”

Hij is nog niet klaar. „Deze ruimte is een voordeel, maar hij is ook een valkuil. Dat de beeldtaal van die Amsterdamse School gaat overheersen. Daarom moeten we met een paar interventies ingrijpen.” Bar-adon knikt instemmend. „We gaan een binnenschil maken in deze kasten”, zegt de ontwerper. „Die mag iets naar buiten steken.” Dijkgraaf enthousiast: „Ja, dat is echt uit de kast komen!”

Foto’s van bergkristallen

Pieter Eckhardt, de kunstredacteur van DWDD die verantwoordelijk is voor het pop-upmuseum, pakt een stapeltje printjes. Foto’s van bergkristallen komen voorbij, een schild van een gordeldier en een mammoetkies. „Die kies ziet er toch uit als een gebergte. Die kunnen we koppelen aan prenten van de eerste beklimming van de Mont Blanc, zoals Christian Mechel die zich in 1790 verbeeldde. Daar zitten precies dezelfde fijne lijntjes in.”

Ze lopen naar de tafel van Warners en de helblauw beklede stoelen. „In het midden moet een centerpiece komen. Dat kan deze tafel zijn, maar die hoeft van mij niet te blijven”, zegt Dijkgraaf. „We kunnen ook een hoge vitrinekast bouwen waarin we objecten laten zweven”, onderbreekt Bar-adon hem. Als Dijkgraaf even later vertelt dat hij een verzameling globes heel graag in de ruimte wil laten hangen, speelt hij daar direct op in. „Die zouden we in de vitrinekast kunnen ophangen, maar ik weet niet of Teylers daar blij mee zal zijn. Of we kunnen met licht de illusie geven dat ze hangen.”

Bij het woord ‘licht’ komt de volgende associatietrein bij Dijkgraaf alweer op gang. „Het licht zoals het binnenkomt via de gebrandschilderde ramen is hier al mooi”, zegt hij. Bar-adon reageert direct: „Dat gaan we juist verduisteren. Die ramen zul je niet zien. In een Wunderkammer komt alles op je af, wij willen mensen met licht naar de objecten sturen. Wij zijn tegenwoordig overspoeld met beelden, dat was een paar honderd jaar geleden nog niet zo. Toen konden mensen nog echt kijken, wij kijken niet meer.”

Dijkgraaf gaat een stap verder. „Misschien kunnen we een witte lichtstraal weerkaatsen en door een prisma laten gaan waardoor het licht uiteenvalt. Dat kunnen we weer confronteren met een oude prismakijker die ik heb uitgezocht. Of we kunnen een regenboog maken, ik heb ook een tekening met een regenboog uitgezocht.” En hoe moet het met de projectie?, vraagt Bar-adon zich af. „Tegenover de deur, zodat mensen hem direct zien of juist op de andere muur?” Dijkgraaf wijst op witte uitstekende planken. „En die dan?”

„O, die halen we gewoon weg, die zijn toch lelijk.”

Dijkgraaf: „We kunnen natuurlijk ook schuin streamen, dat maakt allemaal niet meer uit tegenwoordig. Maar wat zal ik projecteren? Als ik nu een Top-20 maak van mijn favoriete beelden en jullie daar een mooi filmpje van maken? Zo heb ik ook foto’s van insecten die heel groot zijn. Je gaat je afvragen: wat zijn het, insecten of buitenaardse wezens?”

Even later verontschuldigt hij zich. „Ik denk in beelden”, zegt hij. „Er zijn er teveel waar ik enthousiast over ben.” Hij heeft de schrik van Bar-adon opgemerkt elke keer als hij weer nieuwe objecten noemt. „Wees gerust, we hebben gisteren al tweederde weggestreept van de lijst.” Enige opluchting bij Bar-adon.

Dijkgraaf: „Laat gerust weten als het nog teveel is. Het moet hier geen winkel van Malle Pietje worden. Rinkeldekinkel, wie komt er bij mij kijken?”

De drie mannen werpen een laatste blik op een tussenverdieping, een lage ruimte vol kasten waar de boeken nog niet weggeruimd zijn. „We mogen de vide niet voor het publiek openstellen, gezien de drukte”, zegt Bar-adon. „Maar misschien wel voor kleine groepen. Het is wel mooi om vanuit de vide bovenop de zaagvis te kijken.”

Dijkgraafs ogen lichten weer op: „Ik kan er natuurlijk ook een minicollege geven, dat we opnemen en dan op YouTube zetten. Of kunnen we hier nog een zaaltje krijgen, waar we die film kunnen vertonen?”

Bar-adon: „Ik ga het Allard Pierson maar eens wakker maken. Dat ze wel weten wat er allemaal aan komt.”