Kom spoken, dat zou zo gezellig zijn

Kunst en droefenis. Thibaud Delpeut. River. Bentz van den Berg. Appel.

Adam bedekt zijn kruis, detail uit schilderij van Karel Appel

Een maand geleden verloor ik een dierbaarst iemand. Kunst troost, zeggen ze. Dat zal best. Maar zo ver is het nog niet. Nu stommel ik rond en zie overal de doden als levenden en de levenden als doden.

Ik beland in het theater bij Een soort Hades, een stuk van Lars Norén, het speelt zich af in een inrichting. Regisseur Thibaud Delpeut zweept het op, hij toont een aquarium vol levende doden die hartstochtelijk écht dood willen. Maar dat mogen ze niet. Nee, ze zijn gedoemd om eeuwig hun onverdraaglijke gedachten te denken.

Ik kruip weg bij een serie op Netflix: River. Zes uren breng ik door met een mistroostige rechercheur die leeft met de doden uit zijn leven. Ze zitten achterin zijn auto, staan naast hem in de supermarkt. Ze helpen hem, bespotten hem, tarten hem. Zie hoe Stellan Skarsgård hem speelt en je weet: elk van die doden is hij zelf. Zijn glimlach is van gebroken kristal.

Ik duik onder in de nieuwe roman van Roel Bentz van den Berg, Het naderen van een brug. Dat boek wervelt en swingt, het zit vol ideeën, vooral over de dood en wat een ziel daarmee aan moet. Een van de hoofdpersonen is gestorven, maar hij hangt nog bij de levenden rond. Bentz vergelijkt de schim met een coulissenkind: het kind van acteurs dat van opzij staat te kijken naar het podium waar zijn ouders een theaterstuk spelen. Daar is het leven en hij kan er niet bij. Wat heet, hij mág er niet bij.

Dood is dood, maar een beetje gespook zou gezellig zijn.

Ik vlucht naar het Gemeentemuseum Den Haag en warm me aan het werk van Karel Appel, een van de zeldzame schilders die direct zijn gevoel in verf en kleur wist uit te storten. Ja, hij rotzooide maar wat aan – neem hem dat niet af, strijk dat vooral niet glad. Erken het en gniffel over hoe onuitstaanbaar het is voor de burgerbetten dat het resultaat desondanks grandioos is. Vooral een enorm doek over de verdrijving uit het Paradijs ontroert me. Eerst weet ik niet waarom. Dan ontwaar ik de hand waarmee Adam zijn kruis afdekt. Dat gebaar van sidderende schaamte, van ineens anders zijn, dat is de kern van dit schilderij. Je hoorde erbij. En toen moest je weg.

Intussen zit ik nog steeds in een vloeistofdia. De kleuren zijn hallucinant. Maar alles druipt.

Mijn hartsvriendin overleed bij toverslag. Binnen een maand werd ze achterna gestorven door David Bowie. Wiens concerten we bezochten, wiens foto’s we verzamelden, wiens songs we uit ons hoofd kenden.

Door Alan Rickman. Wiens spel we op nieuwjaarsdag bewonderden, als we, nog brak van oudejaarsavond, voor de zoveelste keer naar Love Actually keken. Ongekend breekbaar als een man die zijn vrouw bedriegt maar die volslagen ongeschikt is voor overspel.

Door Ettore Scola. Wiens mooiste film onze favoriet was: C’eravamo tanto amati. ‘Wij hebben zoveel van elkaar gehouden’. Sprankelender film over de kracht en onmacht van vriendschap bestaat niet.

Bowie, Rickman, Scola. Met hen was iedereen dood die ik ter sprake bracht toen ik daar stond, naast haar kist.

Toeval, dat weet ik best.

Maar ik kan met zulk toeval niet uit de voeten. Ik moet ontsnappen. Toe, verlos me. Send in the clowns.