Geïnspireerd door de doofpot

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Wat is eigenlijk de oorspronkelijke betekenis van het woord doofpot? Het is een pot om iets dat brandt in te doven, dat is duidelijk, maar wat precies? Hoe ging dat doven in z’n werk en wanneer verdween de doofpot uit het Nederlandse huishouden?

De doofpot dateert uit de tijd dat er nog volop werd gestookt met turf en kolen. Turf en kolen kan je gloeiend of nagloeiend in een kachel of brandhaard laten liggen, maar er waren twee redenen om dat niet te doen. Ten eerste kon dit gevaarlijk zijn. Vuur kan onverwachts oplaaien en voor je het weet heb je brand, wat extra gevaarlijk was in de tijd dat veel huizen van hout waren.

De tweede reden is zuinigheid. Gloeiende stukken kool of turf zijn nog niet opgebrand, dus je kunt ze hergebruiken. Daarom schepte men ze in een pot van metaal (meestal koper) of aardewerk. Het ging om een pot met een nauwsluitende deksel zodat het vuur doofde door gebrek aan zuurstof.

Doofpot is een oud woord. Het is in 1631 voor het eerst opgetekend. Vanzelfsprekend waren dichters al snel geïnspireerd door het beeld van gloeiend vuur dat langzaam verstikt. Zo dichtte Jan Vos in 1662: „De doofpot en de Tijdt zijn beide koudt en guur: / De doofpot blust de turf, de Tijdt het minnevuur.”

En Jan Luyken schreef in 1711, in Het leerzaam huisraad: ,,De Kool, die helder leid te glooren, / Zo schoon, met een vergulde gloed, / Moet in de Doofpot haastig smooren.”

Sinds wanneer wordt iets of een zaak in de doofpot stoppen gebruikt in de betekenis die momenteel steeds hardnekkiger wordt geassocieerd met de VVD? Sinds het midden van de 19de eeuw.

Voor zover mij bekend is het oudste voorbeeld te vinden in De Grondwet van 28 december 1854, een liberale krant. In een ingezonden brief schreef iemand: „De zaak scheen in de doofpot te zijn gedaan.” De auteur wilde onder de aandacht brengen dat „het tegenwoordige ministerie niet haastig is, om de waarachtige belangen van goede ingezetenen te bevorderen.” Vervolgens vermeldde de schoolmeester P.J. Harrebomée de uitdrukking in 1858 in zijn spreekwoordenboek: „Hij stopt het in den doofpot.”

Vanzelfsprekend waren er al eerder zaken in de doofpot gestopt, maar daar gebruikte men andere uitdrukkingen voor, vooral: iets in het doodboek of vergeetboek schrijven. Die uitdrukking vinden we vanaf de 17de eeuw.

Kennelijk sloeg de doofpot-beeldspraak aan, want sinds het midden van de 19de eeuw is deze uitdrukking niet meer weg te denken. De uitdrukking werd zelfs in de titel van boeken en toneelstukken gebruikt, zoals: Niet in den doofpot: twee zittingen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam (1881), De doofpot: revue in 5 bedrijven (1899) en Moord te Tilburg: de meineedsvervolging van den koster in den doofpot? (1902).

Wanneer de echte doofpot uit het Nederlandse huishouden verdween, is moeilijk te zeggen. Met de komst van kachels die veiliger waren. En vervolgens door invoering van de centrale verwarming. Maar dat gebeurde heel geleidelijk: eerst in openbare gebouwen, daarna in villa’s en herenhuizen en pas na de Tweede Wereldoorlog in de zogenoemde burgermanshuizen.