Fragment uit: Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer

De nacht is aangezegd. De warre uren waaien

als klamme lakens waarnaar hete handen graaien.

De beide engelen verschijnen nu niet meer,

hoop ik. Verleiding rekt zich uit. Ik kauw op teer.

Geen mens heeft van een zoekend mens nog weet.

De namen zoemen wel. Maar wie is er die heet

zoals hij heet? Ik weet niet hoe ik mij moet zijn.

Het liefste was ik klein, mijn hoofd als mandarijn

gevouwen in een schil van fel oranje handen

om niet te hoeven zien waar mijn gebaren landen.

Je bent mijn lieve lief, ik heb het tegen jou.

Je hebt me spartelend aan wal gebracht met touw

waarmee een zeeman netten boet of stroppen knoopt.

[...]