Een onafdwingbare loongolf

Heeft Nederland een loongolfje nodig? President Knot van De Nederlandsche Bank suggereert – onder voorbehoud – van wel. Knots directe zorg is het enorme overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Nederland geeft als geheel minder uit dan het verdient, en het surplus gaat in de vorm van een spaaroverschot naar het buitenland.

Daarmee overtreedt ons land de relatief onbekende Europese regel dat het externe overschot hooguit zes procent mag zijn van het bruto binnenlands product. Dit jaar, zo verwacht het Centraal Planbureau, wordt dat, met 10,8 procent, bijna het dubbele. Nederland staat inmiddels op de internationale ranglijst van overschotlanden op plaats vier.

Knot zoekt de oorzaak bij het bedrijfsleven, waar grote spaaroverschotten bestaan. Een loonstijging bij de bedrijfstakken waar dit het geval is, met name de exportsector, zou de scheefgroei kunnen rechttrekken. De toenemende consumptie die het gevolg is van een hogere beloning helpt vervolgens extra bij het terugbrengen van het externe overschot, en geeft een economische impuls.

Aan het voorstel, dat in theorie klopt, kleeft het grote praktische bezwaar van uitvoerbaarheid. Het zal lastig, zo niet onmogelijk blijken werkgevers ervan te overtuigen vrijwillig meer loon uit te keren, met een beroep op het algemeen belang. En ook de reactie van de vakbonden is opvallend lauw: liever betere secundaire voorwaarden en meer vaste contracten.

De arbeidsmarkt is structureel veranderd. Loonmatiging heeft in de afgelopen twee decennia de Nederlandse concurrentiepositie verbeterd, of in ieder geval behoed voor een verslechtering. De razendsnelle opkomst van de zelfstandigen zonder personeel heeft inmiddels geleid tot 800.000 mensen die hoofdzakelijk, en nog eens 550.000 mensen die part-time, zzp’er zijn.

Met name deze vergaande flexibilisering maakt de Nederlandse arbeidsmarkt ondoorzichtiger en moeilijker te sturen. De kantelende macht tussen werkgevers en werknemers (of opdrachtgevers en opdrachtnemers) is af te lezen aan het structureel stijgende aandeel van de winsten in het nationaal inkomen, ten koste van de lonen. Een voorbeeld van deze machtsverschuiving is de eindeloze tijd die het kost om nieuwe cao’s af te sluiten.

Zolang de werkloosheid hoog blijft en slechts mondjesmaat daalt valt niet te verwachten dat er veel verandert. Een loonstijging zal zich wellicht pas voordoen als er een krapte op de arbeidsmarkt ontstaat. Dat is de ironie van een flexibele economie. Hij wordt ongevoeliger voor beleid, hoe verstandig dat beleid ook zijn mag.