Eén lange horizon, op ooghoogte

Ik wil dat mensen denken: waar wil ik naartoe?

Op de dag van dit vraaggesprek is het pop-upmuseum nog niet ingericht. We staan dus niet in de grote zaal met de zeegezichten, maar kijken naar een maquette. Of eigenlijk: we kijken van boven in een witte doos zonder deksel van pakweg zeventig bij veertig centimeter, nog geen halve meter hoog, waar sterk verkleinde en daarna uitgeknipte afdrukken van schilderijen in zijn geplakt. Naast de maquette liggen nog meer miniafdrukken, allemaal langs de randjes afgeknipt, allemaal bedoeld om uit te proberen. „Ben je daar verbaasd over? Ik doe heel veel met de hand. Dan zit ik hier urenlang te pielen.”

Daan Roosegaarde, kunstenaar en pionier wordt hij het vaakst genoemd, heeft in het pop-upmuseum de grootste zaal gekregen – „Dat kon niet anders, het ging om de lijn, je moet terwijl je de horizon volgt een hele cirkel kunnen maken” – en die zaal hangt vol met zeegezichten, stuk voor stuk doeken uit voorbije eeuwen. Je zou kunnen denken: een opvallende keuze voor iemand die zich bezighoudt met het landschap van de toekomst: innovatief design (de lichtgevende smart highway die hem beroemd maakte), vernieuwende technologie (de Smog Free Tower op het grote grasveld achter zijn studio die vervuiling opzuigt, waarna de smogdeeltjes worden verwerkt in ringen en manchetknopen).

Het wordt allemaal begrijpelijker als je hem vraagt naar het ontstaan van een idee. Om te beginnen: „Het idee is the easy part, het makkelijke deel. De uitwerking kost veel meer tijd.” In dit geval: dat hij in het Scheepvaartmuseum niet koos voor atlassen, fotografie of instrumenten maar voor zeegezichten, „heeft te maken met het verlangen naar een zuiver nieuw landschap, dat in al mijn projecten zit”. Verlangen naar landschap, maar ook naar exploreren. „Het zijn niet alleen lege landschappen, maar ook dobberende boten met mensen erin, schepen bij storm, zeeslagen.” En dat het oude werken zijn? „Ik koppel wat disconnected is, zodat je combinaties krijgt die weer nieuwe energie opleveren.”

Over oud gesproken: naast de pakweg dertig doeken die hij nu laat zien had hij graag „één Van Ruisdael, ééntje maar” gehad. „Maar die hadden ze niet in het Scheepvaartmuseum.” Dat is een droom van hem: dat hij zo’n doek hier zou hebben, in zijn studio in een oude glasfabriek aan de Vierhavensstraat in Rotterdam, met in de verte, ver voorbij de Smog Free Tower, uitzicht op de Maas. „Alleen maar naar zo’n doek zitten kijken en verder niks. Als je een tijdje niets meer van me hoort, weet je wat ik aan het doen ben.”

Alsof ik een alien was

Allemaal zeegezichten dus, was het idee, en daarmee ging hij het depot in. „Drie of vier schilderijen, dachten ze dat ik uit zou komen zoeken. Maar ik trok het ene na het andere werk uit de rekken, ze keken me aan alsof ik een alien was. Nou ja, dat ben ik wel gewend.” Hij haalde uiteindelijk twintig werken uit het depot.

Toen de uitwerking: hoe laat je het zien? Of beter: hoe laat je zien wat je wilt laten zien?

Daan Roosegaarde zocht onder andere contact met Jan Cremer, van wie het Scheepvaartmuseum in 2013 dertig zeegezichten exposeerde, Cremer, schilder van de zee heette de tentoonstelling. De catalogus lag er nog, die had hij doorgebladerd.

„Een van zijn doeken moest een extra worden.” En dat doek zou dan scheef komen te hangen, want wat ook was bedacht: alle horizonnen samen moesten één rechte lijn vormen, één enkele horizon, vier muren lang. En de horizon op het zeegezicht van Jan Cremer loopt niet recht, dat doet-ie pas als je het doek zelf scheef ophangt.

Alleen, het werkte niet. „Het was too much, het werd geen geheel.” Jammer ja, heel jammer. „Maar je moet focussen. En het idee is niet weg, dat doek komt ook nog wel een keer.”

De volgorde. Die is niet willekeurig, maar meteen zien doe je ’m misschien ook niet. Het gaat van mensen naar luchten naar veldslagen, van leger naar voller, van voller naar leger, en als je het weet lijkt het werk dat je ongeveer halverwege je draai tegenkomt nét een Van Ruisdael. De uitwerking van het idee: „Je kijkt rond, je denkt: ze hangen kriskras, en dan opeens zie je dat dat niet zo is, zie je de lijn.”

Eén lange horizon, op ooghoogte: de doeken komen te hangen op „één meter zestig, misschien één vijfenzestig”. Daar loop je dan langs en je ervaart een nieuw landschap, een landschap dat tegelijk bekend is en toch anders. Of?

„Zover waren we en het zag er goed uit. Maar het bleef me bezighouden, het voelde alsof er iets ontbrak.” Hij wilde „iets laten zien wat eigenlijk verborgen is”, maar waar was dan het zoeklicht naar dat verborgene, het moment dat je beter kijkt en het opeens ziet?

Een Roosegaardiaanse oplossing

De oplossing, een kleine vuurtoren in het midden van de zaal, noemt hij „Roosegaardiaans ja, dat woord ligt nogal voor de hand nu”. De vuurtoren draait permanent rond en licht alle schilderijen om beurten even uit. En, ook later bedacht: de wanden worden donker gemaakt.

Worden sommige doeken langer of korter belicht dan andere? „Nee, het tempo wordt gelijkmatig. Tenminste, dat denk ik wel, volgende week gaan we het in het echt uitproberen.”

Tegen die tijd is Daan Roosegaarde hier drie, bijna vier maanden op en af mee bezig geweest, naast zijn andere, echte werkopdrachten: Schiphol, Afsluitdijk. „Het is een volwaardig project geworden, we hebben er ook een projectleider op gezet.”

En als mensen straks de zaal inlopen? „Dan wil ik graag dat ze de verborgen schoonheid van het landschap zien en zich afvragen: waar wil ik naar toe, wat is mijn horizon, wat is mijn droom. Mooie vraag, toch?”