DWDD Pop-Upmuseum wil laten zien wat musea in huis hebben

Kunstredacteur Pieter Eckhardt dacht meteen aan het Allard Pierson, toen DWDD een museumruimte zocht. Het gebouw en de collectie fascineren hem allang.

Pieter Eckhardt, kunstredacteur De Wereld Draait Door.

‘Waarom beginnen we niet een eigen museum?” zei Matthijs van Nieuwkerk, presentator van De Wereld Draait Door, in september 2014 tegen kunstredacteur Pieter Eckhardt.

De redactie was nog lang aan het napraten over de uitzending waarin tafelgast Jasper Krabbé vol enthousiasme had verteld over een tentoonstelling die hij in het Tropenmuseum in Amsterdam had mogen maken. De kunstenaar was het depot ingedoken en had zo’n 1.000 voorwerpen opgeduikeld die hij samen met zijn eigen werken combineerde in een tentoonstelling.

Interactieve plattegrond DWDD Pop-Upmuseum: tien DWDD-tafelgasten vulden de zalen van het Allard Pierson Museum in Amsterdam met kunst uit dertien Nederlandse musea. Klik op de afbeelding bij het rode punt voor het persoonlijke verhaal van iedere gastconservator. 

Het enthousiasme van Krabbé over de voorwerpen waarop hij was gestuit en de verhalen erachter waren zo aanstekelijk dat Eckhardt op het idee kwam er een vaste rubriek aan te wijden in het tv-programma: ‘verborgen kunstwerk’. Maar Van Nieuwkerk en hoofdredacteur Dieuwke Wynia floten hem terug. Eckhardt: „We realiseerden ons dat het natuurlijk veel leuker is als onze kijkers de kunst in het echt kunnen zien. Toen riep Matthijs dus: ‘Waarom beginnen we niet een eigen museum?’”

Helemaal zo gek was dat nog niet. Eckhardt werkte, voor hij kunstredacteur werd bij DWDD, bij het Rijksmuseum, bij de organisatie die het Nationaal Historisch Museum moest opzetten en bij Museum Volkenkunde in Leiden.

Een oud pakhuis, dat kan niet

„Maar ja”, zegt Eckhardt. „Je kunt niet zomaar in een oud pakhuis gaan zitten. Als je ergens tijdelijk voorwerpen uit museumdepots wil gaan tentoonstellen, dan moet je wel zorgen voor dingen als een goede klimaatinstallatie en verzekeringen.”

Hij ging op zoek naar een plek waar zulke dingen al geregeld waren. „Ik kwam meteen uit op het Allard Pierson Museum”, zegt hij. Waarom? „Ik ben er als kind heel vaak geweest, want ik was gefascineerd door het oude Egypte. Ik heb wel eens geprobeerd om me er te laten opsluiten, omdat ik wilde uitvinden wie de moeder van Cleopatra was geweest. Mijn opa vertelde ook altijd over het gebouw, want hij had er gewerkt toen het nog het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank was.”

Het museum werkte graag mee aan het plan van het tv-programma. Dat was slim, zo bleek deze maand toen de bezoekersaantallen van 2015 bekend werden: er kwamen vorig jaar 40 procent méér bezoekers dan in 2014, en die „grote stijging is voor een groot deel te danken aan het zeer succesvolle DWDD pop-upmuseum”, erkent het Allard Pierson.

Eckhardt: „We konden daar maar liefst tien zalen gebruiken. We dachten: het programma bestaat tien jaar, we hebben tien zalen, is het niet leuk om dan tien van onze vaste gasten uit te nodigen om ieder een zaal in te richten met een museum naar keuze? Iedereen die we benaderden zei direct ja. Maar we hadden niet heel veel tijd, want alles moest in drie maanden worden geregeld. Deze aanpak was niet alleen ontzettend leuk, het bleek organisatorisch ook nog eens efficiënt.”

Vandaar dat het dit jaar weer zo ging. De tafelgasten bepalen zelf naar welke musea ze gaan. „Ik doe natuurlijk wel suggesties. En ik kijk of er genoeg variatie is in de zalen. Maar Wim T. Schippers kwam bijvoorbeeld met het Universiteitsmuseum Groningen. Daar heeft hij al heel lang sympathie voor. Die persoonlijke passie is precies wat we willen. Dat het een klein museum is, maakt niet uit. Variatie is fijn. Voor hetzelfde geld wil iedereen naar het Rijksmuseum.”

Lees ook: Dit zijn de tien pop-upconservatoren

De tafelgasten bedenken een thema voor de inrichting van ‘hun’ zaal en de museumconservatoren maken groslijsten van voorwerpen die daarbij passen. Daarna bezoeken de gasten de depots en maken ze een definitieve keuze uit de collecties.

Het verschil met de vorige editie, zegt Eckhardt, is niet alleen dat er andere gastconservatoren en andere musea meedoen, maar ook dat er meer voorwerpen te zien zijn. „Met Beatrice de Graaf, de terrorismedeskundige, zijn we in het depot van het Nationaal Militair Museum geweest. Zij wilde een ode brengen aan het lichaam van de soldaat, en daar hoort natuurlijk ook kleding en schoeisel bij. In het depot stonden stellingkasten vol schoenendozen.”

Nog genoeg musea over

Beatrice de Graaf mocht ze willekeurig openmaken om te kiezen. „Ook wilde ze graag een uniformjasje tonen. Nou, dan ben je daar aan het goede adres. Als die rekken met jasjes, het leek wel een modedepot. Ze heeft de mooiste uitgekozen."

Er zijn nog genoeg musea over die zouden kunnen meedoen aan een derde editie, zegt Eckhardt. „Singer Laren, het Prinsessenhof, het Fries Museum, het Van Gogh Museum, die zijn bijvoorbeeld nog niet aan de beurt geweest. Maar wat ons ook leuk lijkt is om een pop-uptentoonstelling in het buitenland te maken. Dat we daar laten zien wat Nederlandse musea in huis hebben. Ik zeg niet dat het gaat gebeuren, maar het lijkt me wel heel erg leuk.”