Zelfs de oude metro is een probleem voor Amsterdam

En weer heeft Amsterdam een kostbaar metroprobleem; ditmaal met de oude Oostlijn. Leert de gemeente er wat van?

Station wibautstraat, één van de stations die tijdelijk dicht ging omdat de brandveiligheid verbeterd moest worden. Foto: ANP/ Marcel Antonisse

Dat het bouwen van een metrolijn een „complex en problematisch project” is, hoef je ze in Amsterdam niet te vertellen. De Noord/Zuidlijn is een spreekwoordelijke money pit: jaren later gereed dan gepland, voor meer dan het dubbele van wat ooit was afgesproken.

Dat de kwalificatie ook opgaat voor het verbeteren van een bestaande metrolijn, weten we vanaf vandaag dankzij het rapport Renovatie Oostlijn dat de Amsterdamse Rekenkamer heeft gemaakt. Ook deze oudste metrolijn van de stad zal jaren later dan gepland zijn opgeknapt; nu wordt uitgegaan van 2018. En de kosten zijn even duizelingwekkend gestegen, van 171,5 miljoen euro naar 360,1 miljoen.

De kosten van het meest problematische deelproject, dat van de „vluchtwegmaatregelen”, zijn opgelopen van de in 2009 voorziene 68,5 miljoen euro naar 148,7 miljoen. En ook dit onderdeel, dat in 2010 klaar had moeten zijn, is nog altijd niet afgerond. De aannemer heeft er vorig jaar de brui aan gegeven terwijl er nog werk ligt. Een rechtszaak dreigt.

Technisch is het niet zo ingewikkeld om een branddetectiesysteem aan te leggen of de afvoer van rookwarmte te verbeteren, schrijft de Rekenkamer. Het project is vooral complex doordat de renovatie diende te worden uitgevoerd zonder de dienstregeling op te schorten. Alleen in de zomer mocht de metrolijn, die het centrum verbindt met Amsterdam Zuidoost en wekelijks zo’n anderhalf miljoen passagiers vervoert, worden vervangen door een busdienst.

Bij de aanbesteding in 2009 schrijft slechts één aannemer in. Voor een som die 40 procent hoger ligt dan de gemeente dacht. Met de aannemer raken de ambtenaren verstrengeld in een worsteling over geld, werk en tijd. Zijn vergoeding wordt in de loop der jaren vier keer naar boven bijgesteld.

Moeizame relatie

Drie van de negen lessen die de Rekenkamer aan het eind van het rapport stelt, gaan over deze moeizame relatie. Les 6: „Verwacht niet te veel van contractuele prikkels.” Die „bonussen, boetes en betalingsritmes” blijken telkens niet te werken. Het is voorstelbaar, schrijft de Rekenkamer, dat prikkels helpen als de aannemer globaal de goede richting in gaat. In dit geval meende de projectorganisatie dat de aannemer „radicaal de verkeerde kant” opging. Les 7: „Stoppen is soms aantrekkelijker dan het lijkt.”

De Rekenkamer heeft alleen onderzoek gedaan naar de rol van de gemeente – een kwestie van bevoegdheid, licht directeur Jan de Ridder toe. De gemeente en haar ambtenaren móéten meewerken aan een onderzoek van de Rekenkamer, de aannemer niet; die zou de kamer dus oncontroleerbaar kunnen voorliegen.

Het betekent wel dat de Rekenkamer de meeste kritiek reserveert voor de overheid. Die heeft zelf onnodig tijdsdruk op het project gelegd, waardoor de voorbereiding niet goed was. Die heeft een ongehoord aantal externe krachten moeten inhuren om het project te managen: eerst 50 procent, in 2013 en 2014 zelfs 95 procent. Die voerde telkens weer wisselingen in de leiding door; alleen al dit deelproject heeft zes projectmanagers en vier projectleiders gezien. De ambtenaren waren traag in het melden van problemen, liefst pas als ze er al een oplossing voor hadden.

Het college van B en W reageert zuinigjes op de vijf aanbevelingen van de Rekenkamer. Alleen op de externe inhuur (aanbeveling: kijk of je als gemeente niet op sleutelfuncties eigen expertise moet ontwikkelen) wordt een „strategische visie” beloofd.

Dit onderzoek, schrijft de Rekenkamer, „past dus in een lange ‘traditie’ van onderzoeken naar problematische projecten en het trekken van lessen daaruit”.

Lees hieronder een samenvatting van het rapport