Column

Soestdijk

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

Sinds het overlijden van Juliana en Bernhard in 2004 staat Paleis Soestdijk leeg. Het moest nodig gerenoveerd, constateerden we, toen we er afgelopen zaterdag naar binnen stapten. Totdat er een definitieve bestemming voor is gevonden, wordt de boel opengesteld voor het publiek. Er waren die middag zevenentwintig belangstellenden.

Aan onze gids Ria was een goede voor het onderwijs verloren gegaan. Ze wist allerlei details over de koninklijke familie die even vermakelijk als oncontroleerbaar waren. Over de verzameling miniatuurolifantjes van Prins Bernhard zei ze bijvoorbeeld dat die werden gepoetst door vrouwen uit Spakenburg en Bunschoten en dat de prins een van die vrouwen een keer naar het paleis liet terugkomen omdat een van de olifantjes uit het gelid stond.

In de werkkamer van de prins – een verschrikkelijke kettingroker, zei Ria – wees ze op het behang de plek aan waar het stuur van de groene Ford cabriolet had gehangen waarmee hij in 1937 bij Diemen op een zandwagen was gereden.

Hup, zei Ria, die niet van getreuzel hield.

Volgende kamer, de werkkamer van Juliana, die toen ze vorstin was altijd met de rug naar het raam zat omdat ze zich anders niet kon concentreren.

De meeste mensen ondergingen de rondleiding braaf. Ria hoefde maar over behang of gordijnen te beginnen of ze stonden er letterlijk met de neus bovenop. Helaas heb je er in zo’n groep ook altijd wel eentje tussen die de boel ophoudt, die per se wil weten waar of Juliana haar personeel rond Kerstmis trakteerde op chocolademelk en die er en passant bij vertelt dat er op die chocolademelk een vel zat en dat dat het ‘oranjevel’ werd genoemd.

Bij ons werd die functie vervuld door een mevrouw in een rolstoel waaruit, als ze even geen vragen stelde, een brommend geluid kwam. Ze werd voortgeduwd door haar zoon, een veertiger met een malle geruite pet op het hoofd. De twee deden denken aan de Van Kooten & De Bie-creatie ‘moeder en zoon Van Putten’.

Bij het beroemde bordes, waar de bevolking de vorstin tot 1980 jaarlijks een defilé afnam, zei mevrouw dat het kleiner was dan zij het zich herinnerde. Er was niemand die doorvroeg, we gingen er allemaal van uit dat ze er ook een keer een krentenwegge was gaan brengen en hadden geen zin in dat verhaal.

We kregen het toch.

Koninginnedag 1978, er was sindsdien veel gebeurd. Ze was drie keer aan de heup geopereerd, vertelde haar zoon, waardoor ze langere tijd in het ziekenhuis had moeten liggen.

Het moet een heerlijke tijd voor hem geweest zijn.