Nederlandse bijdrage is solidariteitsbetuiging

Hebben bommen zin? De Nederlandse F-16’s zullen een kleine bijdrage leveren aan bombardementen op IS. Ook is al duidelijk dat de terreurbeweging niet uit de lucht kan worden verslagen.

F-16 van de luchtmacht, dinsdag op Schiphol. Foto ANP / Remko de Waal

Bombardementen door Nederlandse F-16’s van de terreurbeweging Islamitische Staat (IS) in Syrië, zullen naar verwachting geen grote impact hebben: daarvoor is de Nederlandse bijdrage te klein.

Nederland bombardeert momenteel al doelen van IS in Irak. In juni 2015 voerden de Nederlandse F-16’s hun duizendste vlucht uit. Maar van de zes Nederlandse gevechtsvliegtuigen zijn er nog maar vier actief, en deze zomer wordt Nederland in Irak afgelost door België.

De Nederlandse deelname moet dan ook vooral gezien worden als teken van solidariteit met landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, die een veel grotere bijdrage leveren aan de luchtoorlog tegen IS. Met name Frankrijk vroeg na de aanslagen in Parijs om Nederlandse hulp.

Heeft het zin?

Maar heeft bombarderen van IS überhaupt wel zin? Wat is na anderhalf jaar van luchtaanvallen van de internationale coalitie boven Irak en Syrië het eigenlijk het resultaat?

Het plaatje is zeker niet eenduidig. Volgens de internationale coalitie is het grondgebied van IS vorig jaar in Irak met 40 procent geslonken en in Syrië met 20 procent. De Amerikaanse militaire denktank IHS is voorzichtiger en stelt dat IS in beide landen slechts 14 procent van zijn grondgebied verloor. Dat laatste lijkt dichter bij de waarheid te zitten.

Duidelijk is dat IS in het defensief is gedrongen dankzij de luchtaanvallen. De groep kan niet meer vrijuit manschappen en materiaal verplaatsen. Vooral het verlies van de Iraakse steden Tikrit (april 2015) en Ramadi (januari 2016) was een zware nederlaag voor IS. Die nederlagen hebben de groep beroofd van zijn aura van onoverwinnelijkheid, waaraan ze veel van haar succes had te danken.

Het recente nieuws dat IS-strijders de helft van hun loon moeten inleveren bewijst dat IS stilaan ook in geldnood komt te zitten. Na de aanslagen in Parijs is de coalitie zich meer gaan richten op de olie-installaties van IS die een voorname bron van inkomsten zijn. Zo besloot de coalitie voor het eerst olietransporten te gaan bombarderen. Die werden eerder ontzien omdat veel tankwagens worden bestuurd door burgers.

Syrische Koerden profiteren

Vraag is ook aan wie IS zijn grondgebied heeft verloren. De Syrische Koerden zijn de partij die misschien wel het meest profiteert van de bombardementen van de coalitie. Zij kregen er in 2015 volgens IHS 186 procent grondgebied bij. Voornamelijk door IS te verjagen uit de grensstreek met Turkije, mede dankzij Amerikaanse luchtsteun. Veruit de meeste luchtaanvallen van de coalitie boven Syrië waren ter ondersteuning van de Koerden in het noorden.

De veroveringstocht van de Syrische Koerden zorgt echter voor een nieuw probleem. Want Turkije beschouwt de Syrische Koerden als een verlengstuk van de Turks-Koerdische guerrillabeweging PKK, waarmee Turkije in eigen land in oorlog is. Daarom is Turkije er fel op tegen dat de Syrische Koerden, de sterkste partij in de strijd tegen IS, aan tafel zitten bij de vredesbesprekingen in Genève die vrijdag moeten beginnen.

IS niet te verslaan vanuit de lucht

Maar de Koerdische veroveringstocht toont ook aan dat een beweging als IS niet te verslaan is door luchtaanvallen alleen. De coalitie heeft betrouwbare bondgenoten op de grond nodig om de strijd tegen IS te beslissen en gebieden te heroveren. Maar daar ontbreekt het aan.

Want de Koerden in Syrië en Irak maken zich net zo goed schuldig aan oorlogsmisdaden. In gebieden die ze heroverd hebben op IS vernietigen ze hele dorpen. Daardoor kunnen de oorspronkelijke, Arabisch sprekende, bewoners niet terug en zitten tienduizenden onder slechte omstandigheden in kampen.

Ook de door shi’ieten gedomineerde regering in Bagdad wordt door de sunnieten enorm gewantrouwd. Toch leunt de coalitie sterk op de regering bij de herovering van terrein in Irak. In de strijd met IS maken shi’itische burgermilities van de regering zich echter schuldig aan oorlogsmisdaden tegen sunnieten. Daarom probeert de coalitie het ingestorte Iraakse leger weer op te bouwen.

Zolang er geen geloofwaardige alternatief voor IS is die het machtsvacuüm in het sunnitische gebied in Oost-Syrië en West-Irak kan vullen, zal de oorlog blijven voortduren.

Ondertussen vallen bij de bombardementen van de coalitie onvermijdelijk burgerdoden. Want een schone oorlog bestaat niet. Volgens het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten zijn er sinds september 2014, toen de coalitie begon met bombarderen, 4.256 mensen om het leven gekomen: 3.787 IS-strijders, 150 andere rebellen en 322 burgers.

IS moet uit de steden

Toch zal de coalitie tegen IS pas echt succesvol als de groep uit zijn symbolische hoofdsteden kan worden verjaagd: Raqqa in Syrië en Mosul in Irak. Michael E. O’Hanlon van de Amerikaanse denktank Brookings Institution is pessimistisch in The New York Times: „Er is niets dat erop wijst dat IS op korte termijn geëlimineerd kan worden.”