De beste bundel van het jaar

Vandaag wordt Nederlands beste poëziebundel bekroond. Tussen de vijf genomineerden schuilt een krachtige winnaar.

Het is een van de lastigste vragen die vrienden je kunnen stellen: ‘Wat vond je de beste bundel van het afgelopen jaar?’ Na vijftig jaar poëzie lezen weet ik dat het antwoord op die vraag nooit meer kan zijn dan een momentopname. In 1970 vond ik de poëzie van K. Schippers anekdotisch knutselwerk. Veertig jaar later staat datzelfde werk hoog op mijn lijst van poëtische voorkeuren. Hoe moeilijk is het dan om een prijs te gunnen aan de beste bundel van een periode? Jaarlijks ziet een jury van de VSB Poëzieprijs zich voor die opdracht gesteld. Ook nu weer, en om het de keurmeesters nog lastiger te maken, begint hun taak met de keuze van vijf nominaties. Dit jaar zijn 114 bundels ingezonden. De jury selecteerde, onder aanvoering van Kees ’t Hart, daaruit de laatste bundels van Pieter Boskma, Geert van Istendael, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen en Maud Vanhauwaert.

Een gevarieerd lijstje, maar in de literaire wandelgangen klinken al wekenlang de namen van wie ontbreken. En dat zijn er veel dit jaar. Op mijn eigen lijstje staan dan toch zeker Robert Anker, Wim Brands, Maarten van der Graaff, Luuk Gruwez, Ingmar Heytze, Ineke Riem, Victor Schiferli, Runa Svetlikova en Co Woudsma. Maar de jury heeft een eigen keuze gemaakt en de selectie in een voorlopig rapport verantwoord.

Een enkele maal kan zo’n verantwoording een twijfelaar over de streep trekken. Het juryrapport overtuigt mij echter niet van de keuze voor De werkelijkheid van Toon Tellegen. ‘De realiteit blijkt’ in diens werk, aldus de jury, ‘flinterdun, niet meer dan een verhaal dat we onszelf en anderen vertellen en als echt accepteren.’ Het is een beetje kwaadaardig om deze zin uit het rapport te selecteren, maar ik doe het omdat wat hier beweerd wordt exact datgene is waardoor ik Tellegen geen echte dichter vind. Zijn proza over dieren is kostelijk, maar poëzie vergt meer dan luchtige vertelstof en filosofietjes. De verzen in De werkelijkheid doen te weinig beroep op het recreatieve vermogen van een poëzielezer. Ze zijn niet suggestief, zelden beeldend, en evoceren dan ook niet. Het is mij een raadsel waarom dit een van de vijf beste bundels zou zijn.

De overige vier nominaties kan ik ondersteunen. In Wij zijn evenwijdig verkent Maud Vanhauwaert in 184 niet gepagineerde tekstfragmenten hoe de wereld en de mensen daarin zich verhouden. Schijnbaar objectief verwoorden de teksten hoe wankel die verhouding is. Soms zijn de fragmenten te vluchtig om te beklijven, soms zijn ze humoristisch raak. Maar ook dan valt er niet echt te lachen. Vanhauwaert biedt boeiende observaties, maar is uiteindelijk toch vooral afstandelijk. En is deze collectie tekstfragmenten wel poëzie? Voor de VSB-jury duidelijk wel, en ook voor onze zuiderburen, want Wij zijn evenwijdig werd in België bekroond met de Hughes C. Pernathprijs. Maar beste bundel van het jaar?

Met Het was wat was lijkt Geert van Istendael mij ook niet echt de potentiële winnaar. Toch is zijn bundel een heuse aanrader. Weinig Nederlandstalige dichters staan zo dicht aan de grond als hij. Zijn gedichten zijn vaak erudiet, maar altijd betrokken, tot in de alledaagse bodemlaag van de samenleving. Het openingsgedicht ‘Mijn erf verkilt…’ belooft weliswaar meer dan de bundel waarmaakt, maar Van Istendael offreert toch een paar juweeltjes. De afdeling ‘Bomen’ is een en al bezwering, en de tien portretten in ‘Mensen’ zijn liefdevol en warmbloedig geschetst.

Toch denk ik dat de finale discussie van de jury zich op de bundels van Pfeijffer en Boskma zal richten. Er zijn veel overeenkomsten tussen Idyllen en Zelf. Beide bundels zijn openlijk egocentrisch. Ik als dichter is het onderwerp, maar wie doorleest in deze uitgesproken vette bundels gaat inzien dat niet de ‘ik’ vooropstaat, maar de troost die de ‘ik’ aan de poëzie ontleent. Beide dichters vinden die troost in vernieuwing, maar daar scheiden hun belangen. Ilja Leonard Pfeijffer kiest voor nieuwe poëtische wegen; Pieter Boskma zoekt een poëtische uitweg uit de rouw om zijn overleden vrouw.

‘Wie nu nog durft te schrijven,’ meldt Pfeijffer in zijn zevende idylle, ‘heeft de dure plicht / iets meer te leveren dan een zesmingedicht / dat met verwondering naar de ontroering kijkt / en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt / wat eerder al ten onrechte werd aangezien / voor poëzie’ Met die woorden richt hij zich tot de ‘lieve dichtertjes van Nederland en België’, maar ze behelzen ook een herijking van zijn eigen dichtwerk.

‘Geen deconstructies meer,’ schrijft Pfeijffer. ‘Geen cryptogram, geen quiz. / We zullen moeten leren zeggen hoe het is. / Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan, / ontwortelaartje dat ik mij daar was.’ Het ligt zo goed als voor de hand dat hij nu te rade gaat bij Awater (1934) van Martinus Nijhoff. In de veertiende en negentiende idylle wordt daaruit ruimschoots persiflerend geciteerd. En alsof één modernist als adjudant nog tekortschiet, zoekt Pfeijffer in zijn drieënveertigste idylle steun bij The Love Song of J. Alfred Prufrock (1917) van T.S. Eliot. Nijhoff publiceerde in 1940 overigens al Een idylle. Pfeijffer kent die zeker, maar in zijn vijftigtal ontbreekt het pastorale element dat Nijhoff nog wel respecteerde. Bij Pfeijffer is het ook een geen dramatisch genre, maar een persoonlijke vloedgolf. Die golf is letterlijk te nemen want: ‘Zoals elk goed verhaal een streekroman zal zijn,/ gaat ieder goed gedicht over de zee’.

Pfeijffer zelf is geen zeeman (zoals de dichter van een pastorale ook nooit herder was). Evenmin is hij van de straat. Idyllen staat vol intertekstuele en culturele verwijzingen. Mooi is hoe het verkeerde wereldprincipe in de achtentwintigste idylle is toegepast. In feite is de klassieke vorm van rijmende alexandrijnen ook een ontlening. Pfeijffer hanteert die vaardig, maar nu en dan toch iets te werktuiglijk. Waar spannende enjambementen ontbreken of louter afgeronde zinsdelen de regelval bepalen, zwelt de dreun van metrum en rijmdwang. Dan wordt de betovering gebroken.

Passeert in Idylle terloops een afgebroken liefde, in Zelf van Pieter Boskma is een gedwongen breuk tussen man en vrouw het vliegwiel. Dat is het al drie bundels lang. Boskma begon zijn rouwverwerking met het magnifieke Doodsbloei (2010), publiceerde daarna Mensenhand (2012) en zet vijf jaar na de dood van zijn vrouw met Zelf een punt die een catharsis suggereert. De bundel omvat veertig openhartige zelfportretten: 39 korte en één 34 pagina’s lang. Hoe verder te leven? is uiteraard het thema. ‘Het blijft raar om ’s ochtends zonder liefde op te staan,’ dicht Boskma. ‘En het blijft raar dat desondanks de verzen blijven komen, / het is hen blijkbaar om het even hoe het mij vergaat.’

Zelf biedt de poëzie die Pfeijffer in Idyllen voorschrijft: poëzie die ‘met verwondering naar de ontroering kijkt’. Geen cryptogrammen ook; er wordt gezegd hoe het is. Boskma’s verzen hebben de lichte sensitieve toets van Gorter, maar zijn tegelijkertijd, soms op het schmierende af, realistisch. Treffend voor die tegenstelling is een passage als ‘Ook zag ik een hengst / met een erectie van een meter en het regende heel zacht’.

De natuur is alomtegenwoordig in deze bundel. Voor wie in een duindorp woont zijn zee, wind, paarden en vogels ook altijd dichtbij. Soms lijkt het alsof A. Roland Holst in Boskma meeademt, maar Zelf is aardser dan het dichtwerk van de oude bard. En wat de poëzie van Boskma bovenal onderscheidt van die van anderen is de innerlijke noodzaak. Dit moest geschreven worden.

Een verrassing is mogelijk, maar mij lijkt Pieter Boskma toch het patent te hebben op de VSB Poëzieprijs 2016. Als de jury daar anders over oordeelt, zal ik mijn schoenen niet opeten, maar zeker lang in mijn mouw bijten.