Wie legde de zoektocht naar bonnetje stil?

Nieuw opgedoken e-mails wekken de suggestie van een doofpot. Wie gaf de opdracht niet meer verder te speuren?

Commissievoorzitter Oosting

Het hernieuwde onderzoek van de commissie-Oosting gaat vooral over de vraag wíé er op het ministerie van Veiligheid en Justitie opdracht gaf om te stoppen met het zoeken in de systemen naar ‘het bonnetje’. En wie verder van die opdracht afwisten.

Dat bonnetje, daarmee wordt het bankafschrift van de 4,7 miljoen gulden bedoeld die drugscrimineel Cees H. van het Openbaar Ministerie kreeg overgemaakt in het kader van een schikking, in 2000. Volgens toenmalig minister Ivo Opstelten (VVD) was het onvindbaar. Later bleek dat onjuist.

Uit de e-mails uit juni 2014 die tv-programma Nieuwsuur heeft bemachtigd, blijkt dat ICT’ers een back-upsysteem hadden gevonden waar mogelijk ook het afschrift van de overboeking naar Cees H. op te vinden was. Huidig minister Ard van der Steur (VVD) stuurde de mails gisteravond naar de Tweede Kamer, nadat hij had geverifieerd dat ze ook voorkwamen op servers van de rijksoverheid.

Suggestie van doofpotaffaire

Uit de mails blijkt dat in juni 2014 een opdracht is gegeven aan de ICT’ers om het zoeken te staken. In één van de mails, gedateerd op 5 juni 2014, staat dit: „De reden voor het stopzetten van de werkzaamheden is dat het op dit moment voldoende is als feitelijk is vastgesteld dat er een backuptape beschikbaar is. Hiermee is (blijkbaar) voldaan aan de meer ‘politieke’ vraag of er inderdaad een back up beschikbaar is.”

Probleem is dat toenmalig minister Opstelten de Tweede Kamer in een brief op 3 juni 2014 liet weten dat hij „alles in het werk had gesteld om de gang van zaken van destijds te achterhalen”.

Maar, schreef Opstelten: „Ik moest accepteren dat ik de ultieme duidelijkheid niet kon verschaffen.” Het door hem onvindbaar verklaarde bonnetje werd later toch gevonden – op 9 maart 2015 trad Opstelten daarom af als minister. Staatssecretaris Fred Teeven ging met hem mee.

De commissie-Oosting had bij haar onderzoek naar de affaire ook inzicht in e-mailbestanden en dossiers van betrokken ambtenaren, schrijft Oosting in een reactie aan Nieuwsuur. Maar daarin „is niets aangetroffen dat wijst op een opdracht of verzoek [...] tot het stopzetten van werkzaamheden” zoals in de mails staat. Ook had de commissie een oproep op intranetsites van het ministerie laten plaatsen, met de oproep aan ambtenaren om – zo nodig vertrouwelijk – informatie te delen.

Als de commissie deze informatie wél had gehad, had de commissie hier „ongetwijfeld” op doorgevraagd, reageerde Oosting maandag, „om op basis daarvan te beoordelen of hier daadwerkelijk en op goede gronden kan worden gesproken van een situatie van een doofpot”.

Juist de suggestie van een doofpotaffaire is wat de nieuw opgedoken mails tot zo’n gevoelige kwestie maakt. Op 16 december vorig jaar, in het debat over de bevindingen van de commissie-Oosting, kreeg het kabinet een motie van afkeuring van bijna de hele oppositie tegen zich ingediend. Informatie was te lang op het ministerie verborgen gebleven, oordeelde de oppositie, en premier Rutte had te weinig gedaan om duidelijkheid te krijgen.