Waar is nog troost?

Wakend over God is de laatste dichtbundel die Joost Zwagerman voltooide voordat hij zichzelf van het leven beroofde. Een testament is het niet. Wat wel?

Illustratie Jenna Arts

In zijn gedicht ‘Kosmos’ beschrijft Joost Zwagerman hoe hij als kleine jongen op de achterbank van de Kever van zijn vader en moeder zit. Hij kijkt door de raampjes naar buiten, naar de polder. Het is een gelukkige herinnering. Het gevoel van geborgenheid vloeit vanzelfsprekend over in de wereld rondom. „Onze Kever was de kosmos”, maar daar kon nog zonder problemen een zich eindeloos uitstrekkende polder bij: „In de Kever ontsprong het Al” en tegelijk ontsprong daar ook, op die polderweg, „de allergrootste / wegomlegging naar de Melkweg.” Een besef van tijd was er ook nog niet. De autoritten duurden eindeloos.

Lees ook: Dichter des Vaderlands Anne Vegter over Zwagermans gedicht 'Dier'

Het is een alomvattende, kosmische ervaring, zoals waarschijnlijk wel meer mensen die kennen uit hun kindertijd. Het is niet moeilijk om hierin de herinnering aan het paradijs te herkennen, of in de Kever de geborgenheid van een veilig nest. „Mijn vader zat achter het stuur. / Mijn moeder keek soms achterom.”

Maar zo gelukkig bleef het niet. De idylle wordt na drie strofen in één klap verbroken, als Zwagerman overstapt naar het heden. De Kever is niet meer; die is „de weg van alle schroot” gegaan. God bestaat niet meer; die sterft nu zijn „eindeloze kosmosdood”. En alle perspectief is weg. „Nergens is nog een / belofte, niets strekt zich nog uit.” We vinden de dichter opnieuw in doeken gewonden, maar nu zijn het de „windselen” waarmee een dode in zijn graf wordt gelegd. De Kever is vervangen door miljoenen krioelende kevertjes. De kosmos is teruggebracht tot „de onmetelijke uitgestrektheid / van een dichtgetimmerd graf.” En daar wacht hij nu op zijn einde: „Mij wacht de / grootste eindeloosheid”, die niet ver meer is; het komt met de snelheid van „een zwarte meteoor” op hem af.

Het is een aangrijpend gedicht, met een scherp contrast tussen de kindermystiek aan het begin en het lege en zwarte perspectief aan het eind. God is dood, de kosmos is leeg, ik ga dood. Vader en moeder zijn er niet meer. Waar is nog troost?

‘Kosmos’ is een van de gedichten uit Wakend over God, de laatste bundel van Joost Zwagerman. In alle 48 gedichten gaat het om de worsteling met God en het geloof. Het kan gaan over de gang naar de katholieke kerk in Alkmaar, vroeger, met het gezin Zwagerman. Over de Tien Geboden, de Ark van Noach, de lijkwade van Turijn, of de schepping („Al met al stelt de schepping / niet zo heel veel voor.”)

Maar het gaat vooral over ontmoetingen, in de verbeelding, met God: wie is Hij, wat wil Hij, waarom laat Hij zich zo vaak niet zien? Soms neemt het gedicht de vorm aan van een overpeinzing over theologische kwesties, bijvoorbeeld over de vraag wat het betekent als men zegt dat God in alles is. Soms worden de rollen verwisseld: „Er zijn zo van die dagen / dat God, droef te moede, / niet meer in mij gelooft.” Soms vluchten zijn gedachten in bizarre fantasieën, en soms ook in mystieke visioenen, een opgaan in God en in alles, waarbij God en alles dan ook weer kunnen opgaan in de dichter. Het zijn gedachtenexercities waarbij ik regelmatig de weg kwijt raakte. Ik weet ook nog niet goed hoe ik de bundel als geheel zou moeten duiden: het is heel serieus van toon allemaal, maar een echte opbouw zit er niet in.

Wat in dit theologische project wel opvalt is de absolute leegte en uitzichtloosheid die op sommige plekken ineens doorbreekt – op dezelfde manier als in het zo intiem begonnen Kever-gedicht. Het daarbij behorende gevoel van eenzaamheid en isolement wordt onbesmuikt benoemd. Het gevoel alleen te zijn in de ruimte, als een losgeslagen astronaut, ver van zijn al even vrij in de ruimte rondzwevende kinderen: „En denk wat ik nog nooit in een gedicht, laat / staan daarbuiten klip en klaar heb uitgesproken: / het is zo godalmachtig eenzaam hier.”

Wakend over God is de bundel die Joost Zwagerman schreef en voltooide vlak voordat hij zichzelf van het leven beroofde, op 8 september 2015. Ik geloof niet dat deze bundel een testament is, en ik geloof ook niet dat we met deze gedichten in de hand moeten gaan proberen de daad achteraf te ‘verklaren’. Wel komen er enkele toespelingen op een zelfgekozen einde in voor. „Een lang stuk henneptouw, / geklonken aan een scharnierende / systeemhaak in een hoog plafond.” En hoe zou het dan verder moeten? „Hoe schopt men de stoel waarop men staat / het makkelijkste en fataal onder zich weg.” En dan? Dan stelt de dichter zich voor hoe hij naar adem happend op zal stijgen – „naar een universum zonder God.” En dan? Wat rijmt er op God? Er zit niet veel rijm in deze bundel, maar hier wel: dan „spat / alles tussen God en mensenziel / voorgoed en weergaloos kapot.”