Salafisme is angst voor vrouwelijke seksualiteit

Seksuele bevrijding is geen typisch westers verschijnsel, schrijft Paul Voestermans. „De ‘Rest’ zal zich hoe dan ook laten inspireren door de ‘West’.”

In NRC van zaterdag 23 januari presenteert Samira Dahri het salafisme als weermiddel tegen de radicalisering van jongeren, mits wij het ruimhartig accepteren en het niet langer als een kwaadaardige ideologie wegzetten. Het is een godsdienst en ze formuleert dit voorstel dan ook met een beroep op de godsdienstvrijheid. Laat jongeren deze godsdienst belijden om te voorkomen dat ze zich buitengesloten, vernederd en miskend voelen. Dit voorstel gaat gepaard met een hoge dosis cultuurkritiek. Mijn bezwaar tegen deze simplistische voorstelling van zaken is tweeledig.

Het salafisme heeft meerdere gezichten. Realiseert Dahri zich dat? Wie zich in het salafisme verdiept kan onder andere in het proefschrift Quietist Jihadi-Salafi.The Ideology and Influence of Abu Muhammad al-Maqdisi van Joas Wagemakers lezen dat het salafisme in drieën komt.

Allereerst heb je het zogenaamde quiëtisme. Dat is inderdaad een min of meer vreedzame tak, te vergelijken met bijvoorbeeld de stroming van bevindelijk gereformeerden in Nederland. Laat mensen daarom vrij zich tot de moraal van deze godsdienst aangetrokken te voelen, het zal radicalisering tegengaan, beweert Dahri.

Maar er is ook nog het politiek salafisme. De aanhangers daarvan schrikken er niet voor terug zich ideologisch scherp te profileren tegenover alles wat het Westen aan ‘verlichte’ zienswijzen heeft opgeleverd.

Ten slotte is er het jihadi-salafisme, dat zich gewelddadig verzet tegen niet alleen Arabische regimes die met het Westen onder een hoedje spelen en zich onvoldoende houden aan de sharia, maar ook tegen het Westen in het algemeen als de vijand die men vooral ook van binnenuit moet proberen te verzwakken door massaal aanhangers voor dit soort salafisme te winnen. Hoe voorkomt Dahri vermenging van deze drie varianten?

Mijn tweede punt: de ‘superieuren’ waarover zij schrijft, zijn helemaal niet superieur maar hebben een geschiedenis achter de rug die we met zijn allen niet nog een keertje willen overdoen. Niemand kiest er graag voor om terug te gaan in tijd en verworven rechten te verliezen. Dat wordt wel van ons gevraagd als we ruimte laten aan deze patriarchale godsdienstige praktijk, waar vrouwen zich eerbaar moeten gedragen: „Want voor haar is het worden aangeraakt door een man seksuele intimidatie”. Waar zo over seks en mannelijk overwicht wordt gedacht, wordt de klok teruggezet.

Hier wordt het gegeven miskend dat uitsluitend in de Westerse wereld al vanaf de dertiende eeuw de patriarchale gezagsstructuren doorbroken werden ten gunste van de individuele zeggenschap van man en vrouw over hoe ze samen door het leven willen gaan. Het begon met de kerkrechtelijke bepaling door paus Alexander III (1159-1181) en paus Gregorius IX (1145-1241) dat alleen op basis van wederzijdse instemming van het paar zelf een huwelijk kon worden gesloten. De regeling is nog terug te vinden in Shakespeares Romeo en Julia, waar de priester het huwelijk buiten de vaders van beiden om bezegelde. Deze inbreuk op het patriarchale gezag, heeft zich nergens anders op die manier voltrokken.

Dat typisch mannelijke gezag gaf zich natuurlijk niet zomaar gewonnen, ook niet in het Westen. Daar zijn drie emancipatiebewegingen voor nodig geweest. In de eerste emancipatiegolf, in de nasleep van de Franse Revolutie, bekritiseerden vrouwen het mannelijke romantische verlangen. Romantische dichters bezongen de vrouw, maar voor de kinderen die ervan kwamen namen ze onvoldoende verantwoordelijkheid.

In de tweede golf ging het vooral over vrouwenkiesrecht. Dit recht luidde het begin in van een groot aantal juridische veranderingen in de verhouding tussen de seksen. Maar vooral kwam er gelijkwaardigheid.

In de derde golf, uit de jaren zestig van de vorige eeuw, stond de seksuele bevrijding centraal. Nog nooit was het vrouwelijk verlangen zo prominent op de agenda gezet. Dahri moet zich afvragen waarom de werfkracht ervan zo groot is, ook in het Midden-Oosten en ver daar buiten. Waarom zijn de mannen in haar salafistische omgeving daar zo beducht voor dat ze de godsdienst alleen maar strenger belijden en haar voor hun karretje lijken te spannen?

Wie in deze emancipatoire ontwikkelingen geen mondiale trend ziet en ze alleen maar opvat als typisch westers, miskent een belangrijk universeel verloop van de beschavingsgeschiedenis, waarin het recht je eigen leven te leiden, ongecontroleerd door religieuze autoriteit, beschikbaar komt voor iedereen ongeacht sekse, etniciteit, leeftijd, klasse of aangehangen levensleer. Wat Dahri helemaal vergeet is dat de ‘Rest’ zich hoe dan ook zal laten inspireren door de ‘West’. De mensheid kan niet langer afhankelijk zijn van alleen de mannen. Vrouwen horen zelf het heft in eigen hand te nemen. Dahri’s preoccupatie met het salafisme doet haar vergeten dat vrijheid van godsdienst niet bedoeld is om verworvenheden terug te draaien en vrouwen weer op te zadelen met de verantwoordelijkheid zich te vrijwaren van mannelijke blikken en handtastelijkheden. Dat is een seksuele moraal van het jaar nul.