Niet de baas, wel grootverdiener

De Kamer wil sluiproutes voor inhuur van dure consultants uit de Wet Normering Topinkomens.

Plasterk, Binnenlandse Zaken. Foto Phil Nijhuis

Dit kabinet heeft de topsalarissen in de publieke sector steeds beter onder controle. Dat is de trotse boodschap die minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken de afgelopen jaren steeds herhaalde. Over de nieuwe wet die een plafond voor de beloning van dienaren van de publieke zaak regelde, zei de minister vorig jaar nog dat die „het verschil ging maken”. En voor een deel van de topinkomens geldt dat ook.

Maar in de wet zit een gapend gat, en een Kamermeerderheid wil daar nu van af - zo zeggen diverse volksvertegenwoordigers naar aanleiding van vragen van deze krant.

Woensdag debatteert de Kamer over de topinkomens in de publieke sector. Een van de hangijzers: een aanzienlijke groep grootverdieners - doorgaans dure ‘consultants’ - valt er niet onder. Het gaat om interim-managers, projectleiders, ICT-specialisten, communicatieadviseurs, juristen en accountants die zonder vast arbeidscontract de overheid bijstaan, maar geen publieke organisaties leiden.

In de woorden van John Kerstens (PvdA): „Wat ons betreft wordt de Wet Normering Topinkomens, de strengste in z'n soort in Europa, uitgebreid naar iedereen die in de (semi-)publieke sector werkt, ongeacht contractsvorm.”

Ministeries geven jaarlijks miljoenen uit aan zulke tijdelijke krachten. Zo spendeerde het departement Veiligheid en Justitie in 2014 zo’n 93 miljoen euro aan externe inhuur; Binnenlandse Zaken 91 miljoen; Defensie 51 miljoen.

Dat juist de groep inhuurkrachten die geen leiding geeft bij een publieke organisatie buiten de wet valt, is opmerkelijk. Tijdelijk ingehuurde bazen vallen wel onder de Wet Normering Topinkomens (WNT). Plasterk definieert deze groep ‘topfunctionarissen’ als mensen die in de (semi)-publieke sector „behoren tot het hoogste uitvoerende of toezichthoudende orgaan, of de laag daaronder, en in die rol verantwoordelijk zijn voor de gehele instelling of rechtspersoon”.

Dit onderscheid tussen topfunctionarissen en consultants daaronder werkt schijnconstructies in de hand. Deze krant schreef afgelopen jaar herhaaldelijk over dit soort kunstgrepen. Zo huurde het ministerie van Veiligheid en Justitie voor 700.000 euro per jaar een hoofd ICT voor de politie in zonder dat daar expliciet toestemming voor was gegeven. De verklaring: het ging niet om een „topfunctionaris”. En Rijkswaterstaat bleek een externe projectdirecteur voor de ringweg Groningen zo’n 4 ton per jaar te betalen zonder dat te melden. De man viel „niet onder de WNT”.

Meldplicht al snel weer van tafel

Tot november 2014 was dat wel het geval. Ministeries en andere overheden moesten alle externen melden die ze boven een maximumtarief hadden ingehuurd, ongeacht hun rang of stand. Maar al snel bleek dat ministeries deze informatie niet voor alle consultants uit hun financiële administratie konden halen. En dus besloot de overheid de meldplicht voor inhuurkrachten die geen topfunctionaris zijn te laten voor wat het was. Curieus detail: dat gebeurde met terugwerkende kracht door de minister zelf, zonder tussenkomst van de Kamer. Eind 2014 werd de groep consultants definitief uit de wet geschrapt, met instemming van de Kamer.

Als gevolg daarvan moeten ministeries – op grond van een oudere, wazige regeling – nu alleen de consultants melden die meer dan 225 euro per uur kosten, terwijl topfunctionarissen al vanaf 175 euro per uur in de jaarverslagen terecht komen.

Die oude regeling geldt ook alleen voor ministeries en niet voor allerlei andere publieke sectoren. Bovendien zijn er mazen in die oude regeling waardoor het maximale tarief makkelijk te omzeilen is. Zo hoeft de overheid allerlei onkostenvergoedingen, bonussen en toeslagen niet mee te tellen bij het berekenen van hun inkomen, terwijl dat voor toppers wel moeten – met als expliciete bedoeling om schijnconstructies te vermijden.

Onder de oude regeling kostte de bovengenoemde projectdirecteur Rijkswaterstaat precies 225 euro per uur, en werd hij niet gemeld. Maar daarbovenop kreeg hij nog een ‘verblijfsvergoeding’ van 150 euro per dag. Als deze man onder de strenge WNT zou vallen, had zijn inhuur moeten worden gemeld.

Maar als een Kamermeerderheid zijn zin doordrijft, worden zulke ontsnappingsroutes gedicht. Ronald van Raak (SP): „Met de WNT stellen we een publieke norm, voor mensen met een publieke taak, betaald met publiek geld. We moeten voorkomen dat we in een ratrace terecht komen, waarbij de politiek regels maakt, die door bestuurders weer worden ontdoken.”